| Anna Maria's profileanna coudenysBlogLists | Help |
anna coudenyseen schrijversblogje |
||||||||||||||||||
|
klik hier voor meer informatie
|
June 28 geef, geef, geefHet leven gaat verder. Sommige doden herdenken we met veel toeters en trompetten, zoals de politicus met zijstreep in het haar die van zijn ladder viel, de zangeres met het onstelpbare liefdesverdriet, of de zelfverklaarde King of Pop die met plastische chirurgie en bleekmiddelen zichzelf tot karikatuur maakte. Anderen verdwijnen bij hun dood in het absolute niets van de eeuwigheid, herinnerd door niemand, door geen kind, geen geliefde, zelfs geen hond.
We oefenen met z’n allen de sardientjeshouding in een propvol vrijdagavonds metrostel. Een haveloze man met een gedeukt colabekertje in de hand waagt zich in ons blikje en mompelt dat hij het moeilijk heeft, dat hij pech heeft gehad, en of we hem even uit de nood willen helpen. Omdat het vrijdagavond is, vloeien de centjes vlotter dan op pakweg maandag of dinsdag. Portemonnaies gaan open, muntstukken tinkelen. Geef, geef, geef, herinner ik me plots Johannes Kerkorrels bloedmooie Hillbrow, en geven doen we, met tegenzin, maar centen blijven centen, ook al worden ze met afgewende blik in het bekertje gedumpt.
Een broeierige vrijdagavond in de hoofdstad die loeit als een ontembaar beest. Hier mag je opvallen, hier moet je opvallen om gezien te worden. Een volledige cowboy-outfit, paars haar of een zorropak met masker trekken nauwelijks de aandacht. Even, heel even maak ik deel van uit van dat kosmopolische tafereel, voor ik weer terugkeer naar de paarden, schapen en koeien. Ik ben een toerist, de geur van vers gemaaid hooi hangt nog om me heen, ik kijk ongegeneerd in het rond, me afvragend met welke motivatie iemand een strohoed met opschrift «Buffalo Bill » draagt, en welke taal de klarinettist spreekt die nu van tafeltje tot tafeltje schuifelt, een opengesperd portemonneetje in zijn hand. Geef, geef, geef.
Later, in de reeds afgekoelde en lege metrogangen van Brussel Centraal, waait een concerto voor viool en cello me tegemoet. Twee muzikanten spelen alsof ze in de Munt staan in plaats van in een tochtige metrogang. Ik moet denken aan het verhaal over Joshua Bell dat ik onlangs in mijn mailbox kreeg, een van de vele ware internet verhalen die de ronde doen onder het motto «als het niet waar is, dan is het toch goed gevonden », over hoe deze topviolist een uurtje met zijn Stradivarius doorbracht als straatmuzikant in de New Yorkse metrogangen om er enkele dollars en een paar minuutjes aandacht mee te verdienen. Ik blijf staan en luister. Ik ben de enige. De cellist houdt zijn partituren met een wasknijper bijeen en de violist heeft een verzachtend doekje onder zijn kin gestopt. Ze spelen met overgave en ernst. Ze vullen de holle ruimte met vorm en schoonheid. Als ze stoppen, applaudisseer ik en schud mijn portemonneetje leeg in hun vioolkist.
Dan is het dringend tijd om te gaan. Eén trein per uur om me in de buurt van koeienland te brengen. De trein heeft vertraging. Balorige jongens in lelijk slobberende ruitjesshorts roken verboden sigaretjes op het perron. Toeristen met te veel valiezen horen nagelbijtend de trein naar de luchthaven afgeschaft worden. Een donkerhuidig kleutertje met kroezelhaar draagt stralend een felrode roos. Hij lijkt een beetje op de jongste van de Jackson Five, je weet wel, dat schattig kereltje dat een pracht van een leven voor zich had kunnen hebben, als hij niet zo dolgraag iemand anders had willen zijn.
En ik, ik schrijf, ik schrijf alsof mijn leven ervan afhangt. Ik schrijf op de tonen van de partituur in mijn hoofd. Bladzijde na bladzijde in het notitieboekje waarvan ik de blaadjes met een elastiekje bijeen houd. Alleen de pet voor de muntjes ontbreekt.
June 16 bloomsdayDoor de dienstgangen doolt de dichter en vangt woorden in zijn hart. Dat we nog niet te veel gehad hebben, dit jaar, en dat we toch al halfweg zijn, dit weekend weer zo’n triestig weer, een BBQ doen zat er ook al niet in, dan maar gaan biljarten, of eens goed bowlen, dat is aangenaam om je af te reageren, boem pataat die kegels omver met zo’n knoert van een bal en daar dan een schuimige pint op drinken, op de overwinning op de kegel, straks is hij weer voorbij die mooie zomer, en wat doe jij na een examen, niet goed geslapen, een hoofd vol leerstof, daarna, daarna eens goed gaan shoppen, na een examen moet ik geld opdoen en jij, oh ik een pintje drinken en eens flink zuchten, hoe traag gaan de examendagen, nooit voorbij en als het voorbij is heb je er nog jarenlang nachtmerries van over niet-geleerde cursussen en in je pijama voor de prof zitten bibberen, dertig ben ik en vorige zaterdag danste ik met een meisje van zeventien, veel te jong, zeg nu zelf, zeventien, zo mooi zo blond en zo alleen, ik kon het niet, ik kon het niet, ze had bijna mijn dochter kunnen zijn, zeg nu zelf, zelf, wat wil je dat ik zelf zeg, ik verloor verdomme mijn vrouw aan een schilder, aan een schilder, wat voor soort schilder, een kunstschilder, niets daarvan, gewoon de muur, stomweg de muur, hij schilderde de muur van de living in gebroken wit, gebroken wit, gebroken hart, acht jaar, acht jaar al zonder haar en nog steeds gebroken, elke keer, elke keer als ik naar die godverdomse living kijk weet ik het weer krak, krak, krak, nee, het gaat nooit voorbij, alleen het leven gaat ooit voorbij, al de rest blijft in de treincoupé hangen, voor eeuwig, in kleine, knetterende spiraaltjes, sommige in zwetend zwart, andere stralend als pasgeboren komeetjes, een vliegtuig daalt, een auto remt, een kind fietst voorbij, iemand schuift een raam open, benen kruisen, armen vouwen, geeuwen, in je ogen wrijven, doe steeds een schone onderbroek aan, zei ons bomma altijd, je weet maar nooit wat je te wachten staat. Joyceful Bloomsday to you all…
May 24 Twee voor de prijs van een- voor BG die vandaag zijn Eerste Zin schrijft -
Ik was amper tien toen ik een diepe bewondering voor de balletdanseres Zizi Jeanmaire ontwikkelde. In mijn korte rode jurkje oefende ik bij ochtenddauw op de boordjes van de stenen kweekbakken in de groentetuin van mijn vader. Boven die boordjes hingen wasdraden, en die waren handig om je aan vast te grijpen als je bijna viel. Zizi was tot mij gekomen in een oude, verfrommelde pocket waarvan de kaft het allang begeven had, een sentimenteel succesverhaal van het volkse kind dat het maakte door hard werken, koppigheid en doorzettingsvermogen. Van mijn eigen balletsucces bleef na een lelijke val met geschaafde enkel en stukgerukte wasdraad niets meer over.
Dat deerde me niet, want al gauw ontdekte ik het apothekerskastje van mijn ouders en hoe je drankjes en poedertjes en pilletjes prachtig met elkaar mengen kon. Ik bewaarde ze in kleine flesjes in een doos onder mijn bed en voerde ze aan mijn pop, eentje met lang blond haar en debiele ogen die nooit nee zei, indien mijn brouwsels tenminste niet voortijdig ontbrandden in de wasbak waarin ik mijn experimenten hield. Die kleine explosieve toestandjes temperden uiteindelijk mijn enthousiasme voor het apothekersvak, en toen poppemie zwarte brij begon te braken, bleek de maat definitief vol.
Lezen was een veiliger explosieve activiteit waaraan geen ouderlijk gemopper of zusterlijk gekijf te pas kwam. In boeken leven die echter dan echt waren, en waarin ik wél balletdanseres kon zijn of geniale wetenschapper. Het deed er niet toe of de boeken « goedgeschreven » waren of niet, als ik er maar mee kon wegdromen, dat was het enige criterium.
De dag waarop ik in de magistrale oude bibliotheek van mijn geboortestad - nu reeds lang ingeruild voor een efficiënte doch inspiratieloze moderne constructie - ronddoolde op zoek naar de vervulling van het onvervulbare, dertien en Pietje Puk ontgroeid doch streng weggestuurd uit de volwassenenafdeling wegens nog te jong, zodat ik er in het geniep moest rondsluipen, hier en daar een zin lezend, bladerend, verlangend, die dag dus waarop ik zocht maar niet vond, kwam de onmogelijk lijkende gedachte in mij op : wat als hier ooit boeken van mezelf in de rekken zouden staan ?
Dus ben ik wie ik ben door een pop met verteringsproblemen, door een gebroken witte wasdraad, door een geschaafde enkel en een groot hongerend ego.
De voorbije weken verdiepte ik mij in « Writing down the Bones » een meer dan 20 jaar oude schrijversklassieker die altijd al aan me voorbij was gegaan tot een sprookjesachtige vriendin-collega-schrijfster mij er op wees. Zelf had ze ooit tien volle jaren aan haar eerste roman gepend om daarna in een rotvaart haar tweede te schrijven na een grondige studie van bovenstaande schrijvershandleiding van Natalie Goldberg zonder h, en door haar besef ik weer dat schrijven simpelweg schrijven is en niet meer dan dat, je doet het en daar houdt het mee op, want hoe langer je je bezighoudt met erover te piekeren, hoe meer je van de essentie wegloopt en geloof me ik ben een ervaringsdeskundige want heb ik er zelf geen tientallen jaren over gedaan voor ik effectief deed wat ik al mijn hele leven wilde doen, namelijk boekenrekken van bibliotheken vullen met met mijn boeken die beduimeld en onderstreept zouden worden, ook al is het dan in potlood, maar dan van het soort potlood dat je nooit meer weggegomd krijgt zonder dat je de aantekeningen blijft zien en als het al lukt, dan nog blijft er gomsel in de vouwen plakken als bewijs van heerlijke gelezenheid.
Dus snoep ik van Goldberg tussen mijn schrijfbedrijven door, wat soms voor grappige resultaten zorgt zoals deze Ode aan de eetbaarheid die ik hierbij aan haar en aan alle mede-schrijvers die dit lezen opdraag :
«de artisjok eet mij En ik ben blij Dat ik eindelijk Eindelijk dienen kan O goed gevoel Te voeden en Verdwijnen O heerlijkheid Verscheurd te zijn In plaats van weg Te kwijnen »
Nee, niets boven een Goldbergje als originele inspiratiebron. Ik vind er bovendien eindelijk ook een argument waarom ik het zou blijven doen. Ze zegt : schrijvers leven twee keer, een keer ik het echte leven en één keer in hun boeken en dat herken ik en stemt me tevreden. Twee keer leven voor de prijs van een, als dat geen reden is.
May 14 joke doet het weer"Het tweede, grote jeugdliterair diner (dat bovendien het vijfjarig bestaan van Woeste Willem betekent) krijgt vorm!
We feesten dit jaar in de Salons Carlton in Aalst op 10 oktober.
Zalig eten in fantastisch gezelschap, en dat in een mooie omgeving, wat wil een mens nog meer!
Er komen tien tafels voor tien personen. Elke tafel wordt geleid door een auteur of illustrator, die op een ontspannen manier (want het wordt zeker geen lezingenavond) iets te vertellen zal hebben, een leuke aanzet, een nieuwe illustratie, een goed idee, een levensverhaal.... Alles kan! In alfbetische volgorde: Inge BERGH Stefan BOONEN Sabien CLEMENT
Carll CNEUT Anna COUDENYS Jan DE KINDER Gerda DE PRETER Frank GELEYN Inge MISSCHAERT Aaron VAN LIERDE Willy SCHUYESMANS Het zal een gevarieerd gezelschap worden, en dat is fantastisch!Boekenvakkers, auteurs, illustratoren, een aantal uitgevers, Vlamingen en Nederlanders zullen aanwezig zijn. Maar ook een heleboel mensen die gewoon dol zijn op goeie en mooie boeken. Wie er vorig jaar bij was, kan het alleen maar beamen: Het was en wordt vast weer een heerlijke avond.
Inschrijven kan nu al.De eerste 30 stoelen zijn al gevuld, dus wacht niet té lang.
www.bloggen.be/woestewilleminfo@woestewillem.be" May 02 grijze muizenpandemieHet warme zuiden op hun huid heeft alle tinten, van blank met net iets donkerdere ogen, over koffie-met-melk tot zwarte chocolade. Soms vraag ik het hen wel eens, wat nu het grote verschil is. Vaak wijzen ze naar buiten, naar de wolken, naar de regen die gestaag valt en op sommige dagen nooit lijkt te willen ophouden. Ze hebben het graag warm, heel warm, de chauffage moet altijd opstaan en het raam van het leslokaal mag alleen tijdens de pauzes open als alle zuurstof echt helemaal opgebruikt is. Maar dat is de buitenkant. Ik wil de binnenkant horen en dat is voor hen niet gemakkelijk in een taal die niet de hunne is.
Ze piekeren, met z’n allen, over dat anders-zijn tot de vraagtekens dampend boven onze hoofden hangen. - in België moet je telefoneren als je bij iemand op bezoek wil. - Jullie stoppen oude mensen in instellingen in plaats van voor ze te zorgen. - In het begin dat ik hier woonde, zei ik gedag tegen iedereen. Niemand zei gedag terug. Dat mocht niet. En dan de klap op de vuurpijl: - Wat betekent grijze muis? Iemand zei ‘grijze muis’ tegen me. - Een grijze muis is iemand die niet wil opvallen, doe ik zo pedagogisch mogelijk uit de doeken, iemand die zich niet profileert. - Dus “grijze muis’ is positief? - Toch niet, nee. Je moet je immers profileren als je iets wil bereiken in deze maatschappij. Tonen wie je bent. - Maar als wij tonen wie we zijn, is het niet goed? - Eh, nee, niet altijd…
Er is geen recept om in een ander land op de juiste manier anders te zijn. Er is altijd wel iets dat je onderscheidt, hoe hard je ook probeert dat onderscheid weg te werken.
En hoe dubbelzinnig gaan wij zelf in onze cultuur niet met dat anders-zijn om? Hoe vaak zeggen we niet: ik ben anders! We bedoelen: kijk naar mij, ik ben niet zoals de rest.
Niet zoals de rest drummen we op een onmenselijk uur elke morgen met norse gezichten voor een plaatsje op een stinkende trein die ons naar een stinkende stad stuurt. In onze vrije tijd drummen we, niet zoals die anderen, toevallig wel dezelfde andere kant op om toch eens iets anders te doen, allemaal hetzelfde anders, ons een plaatsje te veroveren op een stinkend strand bijvoorbeeld, en te staren naar de dreigende grauwe zee die niets liever zou doen dan ons gemeenweg tsunami-gewijs te bespringen.
Ik ben anders, zeggen we, maar we willen het liefst dat de ander dat niet is want hoe minder hij van ons verschilt, hoe minder hij een bedreiging vormt.
Dus hoe zit het in elkaar? Pas je aan, val niet op, doe zoals iedereen, en zodra je dat allemaal kan, mag je met enige kleine accentjes aan jouw persoonlijk niet –bedreigend anders-zijn gaan werken.
Kan ik hen dat uitleggen? In gebarentaal? In het Esperanto van mijn hart en ziel? Nee toch.
Dus? Even weet ik het ook niet meer. Mijn denktank is leeg. Ik jaag iedereen buiten en zet de ramen open. Door het raam zie ik kolonnes grijze wagens traag voorbijdobberen. Daarin zitten grijze muizen. Grijs vanbinnen.
April 14 Lady LuckDe zeewind blies een koude nevel over het strand. Slechts af en toe ving ik een glimpje zon op, een vale maan-achtige zon die het niet kon winnen van een mist die elke weerman met recht en reden hardnekkig zou noemen.
Een mooiere dag om van ergens naar nergens te wandelen, kon je je niet voorstellen. Een mooiere dag om helemaal op je eentje door een volkomen onbekend en nauwelijks zichtbaar strandlandschap te waden, bestond er niet.
Wat gaat er op zo'n eenzame wandeling door je hoofd, vroeg L me achteraf, L die zelf met een pijnlijk verrokken spier tot mankepoten gedoemd was in het visserdorpje waar ik hem voor enkele uren achterliet, en waar hij zou ontdekken hoe kippers eruit zien en wat poffertjes waren en hoe of het bankstel stond bij Mien en haar dressoir met plastic rozen.
Wat er door mijn hoofd ging? Bijzonder weinig. Geen enkele diepe gedachte. Geen enkel noterenswaardig weetje. Geen enkel wereldschokkend inzichtje. Je stapt, je kijkt, je registreert. Schimmen in de nevel, de zee die fluistert, stemmen die te hard klinken, en honden, veel honden, er rennen mensen achter aan, mensen net als jij onderweg naar nergens. Hoe bevrijdend toch, dat doelloze gejakker waarin je jezelf betrapt op het zingen van een Tom Waits kraker, Ol' 55, "now the sun's coming up and I'm riding with Lady Luck..."
Lady Luck. Ik ontmoet haar in een geheel andere gedaante wat later die dag, als we het bedevaartsoord van Oostakker binnendobberen. We komen er terecht in een bui van ach-ja-waarom-niet. En het moment kan niet beter gekozen zijn: een echtgenoot met wandelstok en mankepoot is een ideaal alibi om in dit beruchte oord der mirakelen op verkenning te gaan, begrijpend toekgeknikt te worden, en zelfs een tafeltje op een overvol terrasje aangeboden te krijgen.
(waaraan denk je bij het woord Oostakker? Aan gedichten natuurlijk, een aan een kwade jonge man die ze ooit schreef, lang geleden, en de puber die ze las, niet begreep, maar de ervaring nooit zou vergeten)
In de bedevaartskerk staat Lady Luck te blinken in een krans van lampjes en kaarsjes. Ondanks de zon zit de kerk goed vol, het orgel loeit, een priester zwiept met het wierookvat dat het een lieve lust is, gelovigen zingen en bidden uit volle borst. Dit is het Lof, en dat zullen we geweten hebben. Terwijl de koepel boven het altaar zich met dikke wierookdampen vult, gaat de orgelist uit de bol en heft Land of Hope and Glory aan, de gelovigen hobbelen, schuifelen, trippelen naar voor, muntstukken rinkelen, monden kussen het pateen.
Voor we naar buiten glippen, richt ik nog snel een schietgebedje naar Lady Luck daar vooraan, je weet maar nooit, nu we hier toch zijn. Iets over dat er sommige dingen mogen goed komen die schier onoplosbaar lijken, haalbare mirakels zijn immers geen mirakels, we gaan voor het onmogelijke zoals het hoort.
Het portaal is versierd met dank-je-wel bordjes en sommige hangen echt wel heel hoog alsof de genezen mens die ze daar vastnagelde met zijn klauterwerk voor eens en voor altijd wou bewijzen hoe lenig en gezond hij wel geworden was.
Buiten brandt de zon zo vurig dat nevels van twijfels zich onmiddelijk oplossen, Lady Luck bezorgt ons een terrastafeltje en even valt het leven moeiteloos in zijn plooi en is alles precies zoals het zou moeten zijn. Zelfs L's been doet minder pijn.
March 24 parkiet in de pudding en andere verhalenIn het Warandepark waart de geest van Leopold 2 als geen andere. Vanuit de vergane glorie van zijn eens zo majestueuze paleis zie ik zijn goedgeconserveerde geüniformde geest langbaardig en met een ongeëvenaarde ernst neerkijken op de veel te brede lanen van het park waarin het voetvolk zich verlustigd wentelt in de eerste zonnestralen. Want ach, veel mag zijn Belgische volk dan verscheuren, over een ding zijn ze het allen roerend, ontroerend eens: het is een lange, koude winter geweest en verdorie verdorie toch we waren dringend met z’n allen aan een zonnestraal toe.
Ik ben een mevrouw op een bankje tussen de andere bleke, Brusselse mevrouwen, ik knijp mijn ogen dicht en strek mijn gezicht naar de zon, ik graai naar een boterhammeke kaas in mijn broodtrommeltje en straks eet ik een verrimpeld appeltje als dessert.
De mussen in het park heten voortaan parkiet. Ze kwetteren in de hoogste toppen van de nog kale loofbomen. Zelfs de voorbije ijzige winter kon hen niet om zeep helpen. Ooit hadden we als kind parkietjes als huisdier. Dat was voor de papegaai er kwam, een grijze roodstaart die dank zij connecties uit “De Kongo” kon geïmporteerd worden en met zijn gevloek de herinnering aan tropische vrolijkheid meebracht en een stroom van anekdotes die voor eeuwig in mijn geheugen zouden gegrift blijven. Onze parkietjes mochten vrij rondfladderen in huis, en dat liep niet altijd even goed af. Eentje ontsnapte naar het bosje aan de overkant en kwam nooit meer terug. Een ander had het lef te landen in een kom versgemaakte vanillepudding en moest door moeder afgespoeld worden onder de kraan. Hij overleefde als bij wonder, maar werd later gruwelijk verpletterd toen hij bovenop een dichtknallende deur bleef zitten alsof hij in een pretpark was. Ach, die intreurige begrafenissen van gestorven huisdiertjes, in schoendoosjes en sigarenkistjes, het houten kruisje in de tuin, het ontoombare verdriet.
De reusachtige bassin waarin straks de fontein zal bloeien stroomt gestaag vol water. Drinkwater, vermoedelijk. Onlangs hoorde ik het woord “wateroorlog” op de radio, las ik het woord in de krant. Ik kan niet anders dan eraan denken dat het nu zowat tien jaar geleden is dat ik in Goudmens schreef:
Een eeuw houdt niet plots op als het jaartal verandert, ze blijft nog wat nazinderen en dooft dan langzaam uit. Zo is de twintigste eeuw in 1914 begonnen met een grote oorlog, en is ze vele oorlogen later, halfweg de eenentwintigste eeuw pas, geëindigd met de gruwelijke Apocalyps van de Wateroorlogen. Voor 9 miljard mensen was er nauwelijks één procent drinkbaar water meer. Landen bekampten elkaar met nucleair en ander wapentuig om de controle over drinkwater. En ook binnen staatsgrenzen braken onlusten uit, wat uitmondde in de complete chaos van een halfvernietigde oncontroleerbare wereld.
Het lijkt allemaal ver weg vandaag. Het verleden is dichterbij, niet die griezelige toekomstvoorspelling waarvan ik stilletjes hoop dat ik helemaal fout zat. Het verleden stroomt uit schoolbusjes, strakbejeanste, uitgelaten jongens en meisjes. - “Weet je nog, meer dan dertig jaar geleden,” zeg ik tegen mezelf, “hoe een goede jeans er een was die je al liggend moest aantrekken? Adem inhouden, rits dichtzippen, auw mijn velletje, proberen rechtop te komen zonder te stikken? Erger dan een korset in de negentiende eeuw!” - “Zeg dat wel,” beaam ik welwillend, “alles komt terug. De nylon bolletjesjurk die mijn tante G veertig jaar geleden placht te dragen, die hangt nu in de etalage van HM te blinken.” - “Je kon ook met je jeans in bad,” mijmer ik, “dan ging die nog nauwer aansluiten.”
Hm, deze madame praat toch wel wat te veel naar mijn goesting. Tijd om er discreet vandoor te gaan. Maar ’t heeft toch deugd gedaan, dat zonnetje.
March 11 Reintje buitenmaatsTja, hij moet ook eten natuurlijk. Nee, het is een zij. Ze trekt er des nachts op uit om voor haar hongerige kroost te zorgen. Een zeer hongerige, zeer grote kroost dit jaar. Zo groot, dat zelfs wij er moeten aan geloven.
Ze heeft ons in al die jaren gerust gelaten en dat is een half wonder. Want reeds toen we hier pas kwamen wonen was ze al een legende. Een onzichtbare dreiging waarvoor uitgebreid gewaarschuwd werd.
"Gij laat uw kiekens vrij rondlopen? Pas maar op..."
We lachten die gedachte weg, zoals grootmoedertje de boze wolf weglachte tot het ruimschoots te laat was.
Op een mooie woensdag, zegge en schrijve één week geleden was het zo ver. Geen een, maar dan ook werkelijk geen een kiekske was er nog te vinden in de wei. Niet in het kippenhok waar ze reeds bij schemering gezellig kakelend op stok gaan, niet in de weide, zelfs niet op straat of in een boom. Nergens. Weg. De schok was groot. De ontkenning was de eerste fase. Hadden we niet fout gekeken? Waren ze niet voor één keer ergens anders gaan dodo doen? Of misschien buiten gaan kamperen? Slechts enkele pluimpjes voor de uitgang van het hok getuigden nog van hun aanwezigheid...Later vonden we nog één enkele kippenkop terug. De blinde vinkjes smaakten slecht, die avond.
Dan kwam het verdriet. Sommigen hadden we nog uit hun ei verlost, andere zagen we gezellig oud worden en wat kreupel te poot, sommigen hadden namen gekregen die dan weer vergeten werden. Maar tenslotte konden we het niet anders dan deze doem te aanvaarden.
Bij de buren is er zo te zien niets aan de hand, zeiden we tegen elkaar en keken jaloersig naar het weiland van de overbuur waarin we zijn tweepotertjes olijk zagen ronddartelen. Tot vandaag. Precies zeven dagen later, sloeg de honger weer toe.
"Vijftien!" verzuchtte overbuur K, "vijftien heeft hij er op een nacht soldaat gemaakt! Lijken overal. Die komt hij vast vannacht nog ophalen."
"Zij," verbeterde ik hem maar buurman hoorde me niet. Zou hij vannacht met zijn buks de wacht houden om dat lelijk beest een schot hagel onder haar kont te geven als ze de rest van de buit komt ophalen? Ik zet alvast mijn raam open om niets van dat evenement te missen.
Betere vos, laten we nou tot een compromisje komen voor het tot gewelddaden komt. Dat je af en toe een enkele kip komt pikken, daar kan ik mee leven. Een oude, zieke kip (alhoewel...), nee, enfin, je doet maar, misschien merken we dat dan niet eens, eentje, beloofd? Maar allemaal? Dat is toch overdreven gulzigheid. En geen koppen meer laten rondslingeren aub, netjes opruimen graag. Je naam is toch niet voor niets Reintje?
February 23 Carnaval, natuurlijkOmdat het nog vroeg was die zaterdagmorgen vond ik gemakkelijk een - betalend - parkeerplaatsje. Dat was boffen. Ik haastte me naar de parkeermeter, schichtig om me heen kijkend alsof ik verdwaald was in een James Bond-film. Het provinciestadje A staat immers om vele eigenaardigheidjes bekend. Sommige zijn geurig, andere dan weer kleurig, en alle zonder meer legendarisch. Het nul-tolerantiebeleid dat er gevoerd wordt tegen parkeerovertreders bijvoorbeeld noopt de automobilist tot spurtjes waarbij een hardloper versteld zou staan. Menige keren heeft zo'n olijk blauwgejast parkeerwachtertje me al zien voorbijhollen om 11u33, me in mijn wagentje zien duiken om het ticketje dat heel precies 11.32 aanduidt van de voorruit weg te grissen en er met een zucht van opluchting vandoor te gaan. Zelfs dat éne moment van ticketje-trekken kan voldoende zijn om het zitten te hebben, de sigaar, de klos, de pineut te zijn.
Groot was mijn onsteltenis die zaterdag toen ik mijn vriend de automaat terugvond in een stevig schrijnwerkstuk van houten planken waarin hij helemaal verborgen zat. Bang dat hij een koutje zou vatten? Jan Fabre op bezoek? Ook zijn kameraadje aan de overkant had hetzelfde lot ondergaan. En nee, ook die had geen gleufje voor mijn centje. Ik klampte een voorbijganger aan. Carnaval, zei hij met een meewarige glimlach naar de buitenlander die ik met deze opmerking bewees te zijn, morgen is het hier carnaval. Ach ja, natuurlijk. Of niet zo natuurlijk? Overal in de stad waren grootse timmerwerken aan de gang. Hele gevels werden bezet met datzelfde schrijnwerk dat ook de parkeermeter sierde. De stad werd ingepakt. Bomen werden door Berlijnse muurtjes aan het zicht onttrokken, ramen vakkundig dichtgetimmerd, etalages onzichtbaar gemaakt. Alles wat enigszins loszat aan het straatmeubilair werd verwijderd.
In mijn favoriete boekenwinkeltje werd het woord Carnaval op een stortvloed van gemopper onthaald. Voor Joke staat het synoniem voor "kots-of-nog-iets-veel-ergers-in-mijn-portiek". Of ze dan niet ook zo'n Berlijnse muur kon laten optrekken om haar paradijsje van de oprukkende barbaren te behoeden? Ze noemde de prijs die zij voor een dergelijk kunstwerk zou moeten betalen. Daarvan kon ik ruim 200 boeken kopen. Ik begon alvast met ééntje. Nog 199 te gaan.
Ik kocht een boek met een hap eruit. Dat lees ik op de trein. Ik kijk af en toe om me heen om te zien of iemand het opmerkt, zo'n boek met een hap eruit, dat is toch een raar zicht? Het ziet er zelfs een beetje carnavalesk uit. Of zouden ze me ervan verdenken dat ik er zelf in gebeten heb? Het boek is om in te bijten, overigens. Het heet Firmin en ik ben van plan het zo langzaam mogelijk te lezen want het bruist als een betere champagne. Vermomd als kelderrat sluipt de auteur van dit kleinood rond in de krochten van de literaire ziel en pleegt er kleine taalwonderen die tot een glimlach en een blik van herkenning nopen.
Op zondag vinden de kinderen een website die een live-uitzending biedt van de beroemde carnavalsstoet te A. Die wordt voortdurend voorzien van commentaar door plaatselijke ervaringsdeskundigen. Een van hen weet te vertellen hoe hij als dienstplichtige soldaat erin slaagde om op gruwelijke wijze alle botjes van zijn hand te breken om toch maar thuis te kunnen zijn in de carnavalstijd. Ik bespaar de lezer de pittige details van 's mans verhaal.
Terug naar zaterdag. Terwijl ik met Firmin in mijn armen naar mijn wagen slenter, voel ik een blogje broeden. Aan de bibliotheek staat een struik waarvan één enkel knopje is opengebarsten en drie frisse, groene blaadjes toont. Er staat nog geen schutting rond. Volgende zaterdag tel ik ze opnieuw.
February 15 taka-tika-landVrijdag de dertiende. Een krant heeft zich in het barbieroze gewurmd en adverteert vurige hartjes in hoerenkastfluweel. Het zijn de mannen die breeduit in onverholen territoriumdrift hun kranten opensperren , de ellebogen op hun gespreide benen, terwijl de dames de benen daarentegen kruisen, de sjakos op de schoot, ze roefelen er gedachteloos in op zoek naar iets wat ze absoluut niet nodig hebben, delven verloren objecten op en bekijken ze verbaasd, vertederd. Het fopspeentje van het kleinkind dat kwam logeren, een envelop met een telefoonnummer op, hij glimlachte zo lief naar mij maar ik heb hem nooit durven bellen, wie weet wat er gebeurd was als ik het wel had gedaan, een agenda vol lege blaadjes, wat doe jij morgen met Valentijn, oh niets speciaals, we hebben de kinderen, zo’n veelbetekenend zinnetje waarbij alom fronsend geknikt wordt, misschien even de stad in een hapje eten, tja, ’t is toch maar een commerciële bedoening, het zou elke dag Valentijn moeten zijn, daar heb je gelijk in, wat je zegt.
Een grijze dageraad als we de kleurloze buitenwijken van Brussel naderen. Iemand diept een vakantiebrochure op. Een heftige vlek kleur. Behoeft aan een echte authentieke rustervaring. Een keer uit de sleur zijn. Weg zijn kan wonderen doen. Alles weer koek met heel veel ei. Genieten tot we erbij vallen. Tot we er weer tegen kunnen, een jaar lang. Waartegen dan wel?Tegen onverschilligheid, tegen onvervuld verlangen, tegen de dodelijk routine die we zelf weigeren te doorbreken, tegen de tijd die we zo nauwlettend meten dat we er meer dan ooit slaaf van zijn, tegen de nazi in onszelf en wat we onszelf aandoen door niet te luisteren naar ons hart en onze zielen in een keurslijf te wringen.
En kijk, zo’n foto van een strand, een bounty-strand heet dat dan, de kokos krijzelt er tussen je tanden, die roept dat allemaal weer op, alles waaraan we willen ontsnappen, maar waar naartoe, waar kan je naartoe ontsnappen want neem je niet overal jezelf mee?
En jij,stel ik me voor dat ze me plots vragen, mij, de zwijgende toeschouwer met het eeuwige zwarte notaboekje en de dromerige blik die hen wat onwennig maakt want wat zit ze toch altijd maar te pennen te pennen en te staren, wat zit er toch in haar bovenkamer, waar ga jij naartoe op vakantie, als je het allemaal zo goed weet, vertel het ons dan. Taka-Tika land, zou ik zeggen en ze zouden verveeld kijken, nog nooit van gehoord, waar ligt dat dan? In mijn hoofd. Kan ik er elke dag naartoe. Handig.
January 25 het recht van de zwakstenVaak is de realiteit heel wat gruwelijker dan wat je je als schrijver ooit kan verbeelden. En als het recht van de zwaksten hen ontnomen wordt, het recht op zuurstof, op veiligheid, op voedsel, op liefde, dan sta je met woorden volkomen machteloos. Alom klinken dezelfde stemmen: wat een wrede, egoïstische wereld het is waarin we leven en hoe die voor uitwassen zorgt die wij, de wrede egoïsten (of zijn het alléén de anderen die zo zijn?) niet kunnen vatten. Dat mensen uit de bol gaan en naar een mes grijpen omdat ze misschien niet meer anders kunnen in dit harde éénentwintigste-eeuwse bestaan. De zwaksten dus, die het niet meer aankunnen, die de zwaksten onder vuur nemen. Vreemd. Dus moeten de sterken de zwakken beschermen. Maar welke zwakken? De goede zwakken toch, de onschuldigen, de gezonde, onaangetaste, de brave zwakken. Wat gebeurt er met de anderen? En hoe beschermen? Er mag wat machtsvertoon bij te pas komen toch, een beetje afschrikken voor het goede doel? Metaaldetectoren, gewapende bewakers?
En ja hoor, vroeger was het gegarandeerd beter. Dat heerlijke samenhorigheidsgevoel van met z'n twaalven in een eenkamerwoning. Moeder, geef mij mijn mes en mijn pree, 't is zaterdagavond, tijd om te gaan bakkeleien in de kroeg na zes dagen van 12 uur werken tussen de razende machines die al wel eens een arm durven afbijten.
Nee, zoveel is wel duidelijk: woorden helpen hier niet, maken de verwarring alleen maar groter, leveren zo veel stof tot nadenken dat je je in een kolenmijn waant. Haal die frons van tussen je wenkbrauwen, ga de afwas doen en ondertussen een verhaal bedenken dat niemand wil lezen omdat iedereen er goed en vriendelijk is en niemand een verborgen agenda heeft, waarin zelfs geen booswicht te bekeren valt en iedereen, maar dan ook iedereen precies even zwak is.
Als dat nu eens werkelijkheid kon worden. Of toch liever niet? Tiens.
January 02 zilveren randjesIn de met een overdaad van fijn stof doornevelde oudejaarsnacht schoten de vuurpijlen tevergeefs sterrenwaarts en eindigden in een triest knalletje dat nooit de vergelijkingen met het bombardement van Gaza zou kunnen weerstaan. Dank zij de economische crisis was het een relatief stille nacht in het Pajottenland, vuurwerk is immers een al even nutteloze investering als sommige beursaandelen, eindigend in een kortstondig hoerageroep en daarna zeer diepe duisternis. Of ik het nu wilde of niet, ik moest blijven denken aan het kind dat ergens daarginds zou geboren zijn, om middernacht precies, een Palestijns kind of een kind van joodse kolonisten misschien, het maakt geen verschil uit, het zou wakker worden in een wereld vol haat en dat zou de taal zijn die hij zou leren, willens nillens, bij elke dode die er zou vallen en bij elke slogan die er zou geschreeuwd worden.
Was het met dit blogje niet de bedoeling dat ik wenste, dat ik voornam, dat ik beloftes deed? Besluit ik met een diepe frons dit stukje ongeschreven te laten omdat het niet de juiste richting opgaat? Of schilder ik snel een zilveren randje aan mijn zwarte wolkje - overigens gisteren tijdens het nuttigen van een origineel Nieuwjaarsdiner in minzaam gezelschap gehoord dat taal en intelligentie nauw samenhangen, hoe meer woorden je kent hoe slimmer je bent – want die macht heb je wel als schrijver. Indien je even doordouwt slaag je erin om dat zilveren randje alsmaar breder te maken en als je dan nog enige zonnige woorden infiltreert zoals: licht en aangenaam en hoopvol en warm en knus en mooi en blijgezind en liefdevol en en en ...héhé nu ben ik er klaar voor:
Ik wens jou voor 2009 een jaar van schoonheid, vernieuwing en licht.
December 14 Pollyanna en de hemel - voor Els BWe hingen met z'n vieren in de sofa, moe van een weekje heen-en-weren, moe van examens, moe van moetens, zaterdagnamiddag en al donker en het hele gezin rijp voor leeghoofdige doch familiaal verantwoorde beeldjes op het piepkleine scherm, de titel is Pollyanna, wat voor 'n disney-dvd is me dit nu, eentje uit de stok- en stokoude doos, het hoofdpersoontje is net weesje geworden en moet bij haar enge rijke tante gaan wonen maar laat het niet aan haar hart komen want binnen de kortste keren heeft ze het hele norse dorpje omgetoverd in huisjes weltevree, behalve haar tante natuurlijk, want die moet tot de laatste tien minuten wachten voor ze mag braaf worden en dat pas na een vreselijk accident dat ik hier niet ga verklappen, nee, zelf kijken is de boodschap, met de zakdoek in aanslag graag, want oh, kan het nog meliger, kan het nog zoeter, kan het nog beter passen bij dat weeë bijna-kerstgevoel, wees lief voor elkaar, weesjes nog het meest!
Zelf een wijze wees wezend, streek ik de voorbije dagen in de trein neer met een heel dik boek dat me zou helpen om alle NMBS-calamiteiten te overleven zonder één krimp te geven, integendeel, een boek dat me zou doen verlangen naar urenlange vertragingen of gemiste afstapplaatsen. Een boek dat me telkens een beetje paniekerig deed opkijken als de trein halt hield, moet ik hier zijn, ben ik er al?
Hoe langer hoe meer waardeer ik gedegen vakmanschap, diepgaande research, mooie karaktertekening en een verrassend verhaal. Dat alles vond ik terug in dat hele dikke boek en ik genoot ervan, maar tegelijk was ik me meer dan ooit bewust van het jarenlange monnikenwerk dat de auteur daarvoor had moeten verrichten. Niets raprap, maar opzoeken, schrijven en herschrijven, zorgen dat het stroomt en dat het klopt als een bus zodat er geen milimetertje ongeloof meer zou overblijven bij de lezer, zelfs niet bij mij, zelfs niet. Het jezelf als auteur niet te gemakkelijk maken en ook de lezer au sérieux nemen die wel tegen een stootje kan, tegen veel vragen op het einde, waarom, hoe kan dat nu, hoe moet het nu verder?
Net zoals Pollyanna hadden de personages in het boek het beste voor met zichzelf en de wereld, ook zij wilden de hemel, allemaal, allemaal wilden ze de hemel. Alleen was er geen technicolor en geen oompje Walt om hen in zeemzoete banen te leiden. In mijn hoofd speelt het boek zich in zwart-wit af, zwart-wit met alleen af en toe een rode spat pijn als het grondig mis gaat en de zakdoek bovengehaald wordt.
Toen de laatste letters verteerd waren, toen de boekentrein stopte, op een onbekend perronnetje, onderweg naar nergens, met een eeuwigdurende vertraging en ik wel uitstappen moest, ook al herkende ik het landschap niet waarin hij mij achter liet, dacht ik dat het misschien wel daarom was dat we het deden, dat schrijven, om die hemel, die ons altijd een stapje voor blijft in een verlangen dat nooit ophoudt, om opnieuw te beginnen met die eerste zin en de vraag waar het ons leiden zou, in technicolor of zwart-wit, naar weer zoveel nieuwe vragen.
Hoe fijn dat we niet allemaal Pollyannakes zijn.
December 02 bouillabaiseHet licht moet van binnen uit komen in deze donkere dagen voor kerst. Dat had de meneer die in Brussel tegenover me op de trein zat, heel goed begrepen. Hij droeg een rood mutsje van kerstmannig allooi, maar dan met een spiraalvormig tjoepke erbovenop. Gelukzalig zat hij te glimlachen naar de sombere pendelaars die de trein opdrumden in de chaos die er heerste van weer eens ergens een ongeval of een mankementje of een rendier over de sporen gestruikeld of de sint zijn appelsienen in eerste klas vergeten... duistere, langdurige vertragingen in NMBS-land, stilte over de luidsprekers, op het perron stond een geelgefrakte spoorwegarbeider die door wanhopige reizigers werd aangeklampt en de armen in een diepe verzuchting ten hemel hief, een bouillabaise, mompelde hij met een snik in zijn stem, 't is hier een echte bouillabaise!
De meneer tegenover me in de reddende trein had een schone kerstmuts op en ik voelde mijn rothummetje smelten als een ijsje onder een tropische zonnelamp. Voor ik het wist merkte ik een stralende glimlach op mijn uitgeputte nine-to-five smikkel. Dat vond de kerstmens fijn. Hij boog zich na enige minuten wederzijds grijnzen naar voren en vroeg met het allermooiste communautaire-problematiek-oplossende Franse accent hoe we zo'n mutsje noemden in het Nederlands. Ik moest hem het correcte antwoord schuldig blijven. Maar dat het een mooie muts was zei ik, zeer mooi, en of hij die altijd droeg. Nee, het was voor de preparatie voor de feest van de Noel, verklaarde hij. Kerst, zei ik. Kerst, knabbelde hij het woord zo goed mogelijk na. En hij deed even zijn mutsje af, friemelde wat aan de voering en driewerf hoera, daar verschenen flikkerende sterretjes op het witbesneeuwde boordje. Speciaal voor mij en mij alleen. De dames naast ons deelden niet in onze kinderlijke vreugde. Te vroeg, zeiden ze, 't is veel te vroeg voor de kerstman, eerst moet de sint nog komen, dat past niet, de kinderen zijn zo al in de war genoeg, straks weten ze het verschil niet meer. De kerstmens glitterde en straalde onverstoord verder. Toen moesten we er allemaal uit. Wat "joyeux noel" in het Nederlands was, vroeg hij nog snel. "Prettige kerst", zei ik. Prachtige kerst, herhaalde hij. Prachtige kerst! Pour vous aussi, riep ik hem na. En hij huppelde flikkerend de erwtensoep in. BHV was nog nooit zo ver weg geweest.
November 11 LienVooral Lien maakte het de moeite waard, daarginds op de boekenbeurs. Ze stond opeens voor me, blozend - niet moeilijk bij de adembenemende temperaturen die er heersten en het zuurstofgehalte dat zijn absolute dieptepunt bereikt had zodat je enkel nog naar lucht hapte op eigen risico - en blij met een perfect bewaard exemplaar van mijn acht jaar oude Goudmens in haar handen.
"Goudmens," riep ik uit, alsof het waarachtig oud goud betrof en nam het boek voorzichtig van haar over. Op de eerste bladzijde had ze haar naam geschreven. Lien. In potlood, discreet. Haar eigen boek, maar toch ook nog het mijne, zo voelde het aan. Ik had ruim plaats over om er nog een klein ietsje van mezelf bij te zetten. Dat ik het fijn vond dat ik haar ontmoet had en dat meende ik met heel mijn hart. Of ze het niet een moeilijk boek had gevonden, vroeg ik haar. Dat vond ze niet echt. Soms was het wel een beetje moeilijk geweest gaf ze toe, maar dan had ze die passages gewoon een paar keer opnieuw gelezen en daarna was alles duidelijk geworden. Dus echt moeilijk? Nee. En of ze speciaal met Goudmens hierheen was gekomen? Stomme vraag, anders had ze immers niet voor me gestaan. Maar speciaal was het wel, voor ons allebei.
November 08 In Lincoln Park, Barry and meEen paar dagen lang geloofden we samen dat we de wereld zouden veranderen. Wij en hij, de man die uit het niets opdook en verandering beloofde, met een krachtige, bevlogen stem. Hij moest en zou winnen. Als hij dat niet deed, dan, dan…doembeelden van Saartje Paling met haar enge peperdure mantelpakjes en nog engere gedachtengoed en arme Mc Shame in een rol gedwongen die hij op zijn oude dag helemaal niet meer wilde spelen. Die pas weer McCain werd toen hij mild en weemoedig zijn nederlaag aankondigde en manmoedig de hand reikte naar zijn rivaal.
Een paar dagen lang. Toen las ik in de krant met welke haviken de nieuwe charismatische leider zich zou omringen. Toen stond er in de krant hoeveel hij per jaar zou verdienen. Of was het per maand?
Hoeveel miljoenen heb je nodig om een goede president te zijn? Zo veel dat je ze niet meer tellen kan? Mister President, come take a walk with me.
Vandaag stel ik me voor dat we in Chicago samen door Lincoln Park lopen, hij en ik, terwijl de herfstbladeren en veiligheidsmensen om ons heen dansen. Er zijn geen gangsters meer zoals vroeger, het enige geratel dat we horen is dat van een specht die zich van seizoen vergist heeft. Hij steekt de handen diep in de zakken van zijn kameelharen overjas, geen echt kameel natuurlijk, maar honderd procent echte namaak, hij mompelt tegen de gure wind in die over Lake Michigan naar ons toe waait, hoe zou jij het doen, my dear Belgian friend, geef me wat advies vanuit het diepste van je ziel…
En ik zou zeggen, lieve Barry (Barack klinkt zo ruig en hard, als een legerkamp, als een loopgraf, als een snauw) je bent een symbool, je bent een teken van hoop in een harde, hopeloze wereld. Als symbool moet je symbolische daden stellen die de harten raken, die de zielen beroeren, die de verandering van binnenuit naar boven haalt, een verandering die zo diep gaat dat de wereld nooit meer hetzelfde kan zijn, nooit meer kan zeggen: we hebben het niet geweten.
Stel je voor, Barry, hoe je aankondigen zou: beste vrienden, ik hoef die honderduizenden niet, als ik genoeg heb om te kunnen sparen voor mijn pensioentje en een goeie ziekteverzekering voor mij en mijn perfecte gezinnetje, een huisje zonder risicovolle afbetaling en een reisje af en toe, dan is het meer dan genoeg. Want mijn carrière is kort en heftig en gevaarlijk, maar die andere dollars, die kunnen beter ons kreunende, halfdooie landje steunen dat nog net geen derdewereldland is maar toch bijna en dan kunnen we eindelijk zorgen dat er betaalbare dokters en ziekenhuizen zijn en de daklozen een dak geven.
Vervolgens omhels je al de vijanden die jouw land in de voorbij Bushy jaren heeft gemaakt, allemaal, en je geeft ze liefde in plaats van wapengekletter, godverdomme toch, dat zou mooi zijn.
En je herhaalt het tegen ieder die het al dan niet wil horen dat je een droom hebt en dat wij in die droom zijn, wij allemaal, en dat die droom waar wordt. Hier en nu.
Mister President, come take a walk with me.
October 31 boeken boeken vallen vallen veel veel nooit genoeg
Grijzer dan grijs en snel boodschappen want morgen Allerheiligen en de mevrouw aan de kassa zegt ach wat gezellig binnen bij de kachel terwijl ik slaperig inlaad, ’t was dan wel niet zo laat geworden gisteren, maar ik kon daarna de slaap niet vatten, ik zag ze voor me in torenhoge blinkende stapels, onaangeroerd, in plastic verpakt soms, wachtend om knisperend opengedaan te worden, geurend naar nieuw, zoveel, zoveel en al die mensen er rond drinkend en etend en lachend, wie zijn al die mensen toch, K herkende haar krantenman en een verwoed kwissend familielid, ik herkende niemand, of toch bijna niemand die ik niet ken en voor de anderen ben ik gekomen dus die tel ik niet mee, bij gebrek aan TV ontdek ik nauwelijks een BV ook al komt ie voor mijn neus staan wiebelkonten, ik spreek af met een vriend jeugdauteur dat ik hem naast Jef G zal staan opwachten, want die ken ik wel, natuurlijk wel, al is het alleen maar aan zijn enge brilletje en de camera’s die hem omringen, ik sta dus een tijdje naast Jef G in de verte te staren, hij staart naar mij, die niet naar hem staart en ik zie hem wenkbrauwenfronsend denken wat staat die madame me daar ostentatief te negeren, zo, daarmee heb ik mijn dosis BV voor vanavond wel gehad denk ik en ga samen met de vriend jeugdauteur gezellig samen naast onze artistiek gestapelde stapel boeken staan grinniken, die moeten we voor het einde van de avond verkocht krijgen zeggen we anders mogen we niet naar huis, één klein torentje mij tussen al die andere torens, dat ben ik, een boek in het meervoud, liters sinaas naar binnen gietend en af en toe een toastje graaiend, met mijn geliefde lotgenoten waarvan ik sommigen slechts ontmoet op dit jaarlijks terugkerend evenement, mompel ik over uitgevers en redactiewerk, over jezelf zijn in je boeken en moeilijke literaire bevallingen en waarom niet alle boeken een plaats krijgen in een boekenwinkel, of met andere woorden waarom we er onszelf zo moeilijk in terug vinden of zelfs helemaal niet, nooit meer, na twee jaar de ramsj in, en dat je geen boeken kan kopen die je niet ziet en daar is deze mastodontboekenbeurs dan toch tenminste goed voor, en nee, ik heb weer eens helemaal, helemaal geen, ik herhaal géén zin om een punt te zetten in dit relaas, dank u, vandaag even niet, verkoopcijfers auteursrechten, en verdomme toch die tien meter wit vasttapijt waar ik willens nillens over moet en wenste dat ik moddervoeten had of beter nog dat ik in die dikke hondendrol daarbuiten getrapt had, ach wat, elk boontje komt om zijn loontje, uiteindelijk wel, een mens zou voor minder in de hel gaan geloven zodat bepaalde boontjes loontjes krijgen en als ik thuiskom krijg ik ze maar niet uit mijn hoofd, al die boeken, al die verdomde boeken, en al die harten daarin uitgestort, al die zielen daarin blootgelegd en al die nagels daarvoor kapotgebeten, bomen gehakt, flessen geledigd, repen chocolade gekauwd, dinges gesnoven of geslikt, gesukkeld, geschreeuwd, geredigeerd, gewanhoopt, gewritersblokt, stapels en stapels en terwijl de nacht aan me voorbijglijdt, hopen ze zich op als de toren van Babel, storten ze ineen tot een puinhoop van miljarden hulpeloze letters die er uiteindelijk maar zesentwintig zijn en wat je daar allemaal mee doen kan zoals nu, eindeloos, eindeloos en toch nooit genoeg, nooit of te nimmer
October 20 muziek zonder maskers‘Je mag Lennert zeggen, op z’n Engels, zoals die zanger, Leonard Cohen, ken je hem? De man van So Long, Marianne. Een liedje van voor ik geboren ben. Mijn ouders waren er dol op. Ik herinner me Londen als kind, het drukke verkeer, en boven het lawaai uit dit liedje. We zongen mee, om het hardst. Ze hadden me vast Marianne genoemd als ik een meisje was geweest.’ Hij begon zacht te zingen: ‘Now so long, Marianne, it’s time that we began to laugh and cry and cry and laugh about it all again.’ ‘Een song voor jou,’ zei hij. ‘My little darling.’
Tot zover die andere Leonard, in Wilde Lucht. Ik had nooit gedacht dat ik hem in het echt zou zien, de man wiens naam ik leende voor mijn hoofdpersonage. Hij was er altijd al in mijn muzikale leventje, voor zover ik me kan herinneren. Je kon hem nooit zomaar horen, je moest hem beluisteren, leren begrijpen, je laten grijpen. Handig om als puber je literaire woordenschat van het Engels te vergroten (‘giving me head on the unmade bed’, hee, die uitdrukking vind ik niet in het woordenboek terug), nooit vrijblijvend en met een van zwarte nacht doordrenkte somberheid waarbij je je bijna weer vrolijk gaat voelen.
Hij was verlicht en zat op een berg. Hij maakte nog af en toe een uitgepuurde etherisch-mooie cd waarop hij zijn steeds dieper wegzinkende golden voice liet omhoogtillen door prachtige vrouwenstemmen. Daar zouden we het mee moeten doen. Jammer, maar er zijn nu eenmaal veel levende muzikale legendes die ik nog nooit levend heb gezien zonder er een traan om te laten.
Toen kwam de aankondiging van een concert van Leonard Cohen op een maandag in oktober. “Daar moet je echt naartoe,” zei een vriend die hemnog maar net in juli in Brugge zag optreden. Ik kan niet, dacht ik. Maandag is werkdag, laat thuis, volley-avond voor de meisjes. Ik wil een concert in het weekend! En de gedachte was nauwelijks koud, of er werd speciaal voor mij een extraatje op zondagavond ingelast. Dank je, Leonard.
Vorst Nationaal. Het heeft iets onwezenlijks. Een gigantisch mierennest. Braadworstgeur en Stella in plastic bekertjes. Maar er is wat ten goede veranderd sinds ik er voor ’t laatst was, meer dan twintig jaar geleden, op dezelfde plaats hoog en droog en veel te ver van het podium, ook nu ben ik ongeveer even oud als de andere concertgangers, dubbel zo oud als toen met andere woorden, toen ik door mijn verrekijkertje in de mist van sigarettenrook in dat paarse miertje Prince probeerde te ontwaren. De sigarettenrook is weg, er hangen mooie schermen waarop je zelfs van op de hoogste hoogten kan mee volgen. Hoe zal het zijn? We weten het niet. Een oude, gepluimde man. Van moetens weer het podium op. Een beetje zielig misschien. Toch maar beter niet gekomen?
De eerste seconden nemen alle twijfel weg.
Dance me to your beauty with a burning violin
Al de schoonheid die hij ooit gebrouwen heeft, herzongen, herbeleefd, beter dan nieuw. Negen schitterende muzikanten. De oude man huppelt het podium op en af, gaat door de knieën, zingt, vecht, huilt, bidt. Zingt het publiek urenlang de uitputting in. Ik kan ogen en oren niet geloven en dank in stilte de malafide manager die de man weer tot optreden dwong. En wat vond je nu het mooiste, vraag ik aan mezelf. Ach, dan toch maar dat ene, een van de weinige songs alléén met gitaar. Avalanche met onevenaarbare zinssneden zoals deze:
You say you’ve gone away from me, But I can feel you when you breathe.
Het is bijna middernacht als we naar buiten duizelen. Naar de werkelijkheid waarin de babysit ligt te ronken op de sofa. We verontschuldigen ons dat het zo laat werd. Dat we naar Leonard Cohen zijn geweest, stralen we. Ze kijkt niet-begrijpend. Een zanger, zeggen we. Een oude bard. Ze schudt slaapdronken het hoofd. Nog nooit van gehoord.
In de fruitschaal liggen zwartgejaste, rimpelige passievruchten. Ik slurp ze allemaal op. Zonder lepeltje.
October 06 Schrijven isSchrijven is kijven Omdat geen taal ooit je dromen kan vatten Schrijven is schrappenwoorden gewikt gewogen en te licht bevonden Schrijven is reizenIn je hoofd zoveel verder weg dan waar ook ter wereld Schrijven is avontuurJe een weg banen door de jungle van je gedachten Schrijven is oneindig Een spel zonder grenzen Schrijven is groeienSteeds dichter naar je zelf Schrijven is blijvenIn het hart van een ander Schrijven isSeptember 12 Saartje Paling en opoe McShameMeestal is niet de ander een gevaar, maar wel de manier waarop jij die ander ervaart. Deze diepe gedachte zet mij aan het fronsen op een windstille nazomeravond in de tuin die zich geheimzinnig ritselend voorbereidt op de nacht terwijl de eerste uil roept, Witje de Gemene Kat tegen mijn benen schuurt («je bent van mij en mij alleen !») en een vleermuis laag boven mijn hoofd scheert in een poging mijn luizen te vangen. Een zennige gedachte voor iemand die net het plan heeft opgevat een blogje over Saartje Paling te plegen. Want hoe ervaar ik haar? Hoe gevaarlijk is ze echt? Palingen, glibberige moddersluipende roofdiertjes met scherpe bijtertjes, ik herinner me als gisteren een bruisend ongerept riviertje in county Kerry en ikzelf met een vislijn, echt waar gebeurd op mijn erewoord kinderzieltje, een vislijn met een scherpe haak en aan die scherpe haak een dikke vette worm want anders zouden ze niet bijten, en een boertje leunend op de brug. - What are ye fishin’ for then, girl? - Eels, sir! - Eels ? Dirty muddy beasts, not worth eating, I tell ya! Het was een moeizaam verhaal om de brave inheemse medemens uit te leggen dat aan de overkant van de grijze zee een landje bestond waar de dirty muddy beasts een delicatesse waren, maar vechten deden ze, eenmaal aan de haak, met een kracht waar je het niet van terughad en het boertje maar lachen, zijn klak in de hand, genietend van het wonderlijke schouwspel dat die toeristen privé voor hem opvoerden. Misschien noem ik haar daarom Saartje Paling, misschien ook omdat ik die militante anti-Sarah-blog ontdekte en ze daar arme McCain meneertje McShame noemen en ik dus opeens aan Saartje Paling moest denken als koosnaampje voor haar, zijn rennend maatje, de Alaskaanse ijskoningin, vermaard om de meedogenloosheid waarmee ze weerloze wolfjes schiet en voorlichtingsboekjes uit de openbare bibliotheken laat verwijderen, tot schade van haar eigen dochter. Is Saartje Paling een gevaar als ze als rechterhandje van opoe McShame aan de leiding komt van wat jammer genoeg nog steeds het machtigste land van de wereld is? De vraag stellen is ze echter beantwoorden. En waarom ? Omdat ze voor alles staat waar ik koude rillingen van krijg ? Om de hele nietsontziende reclamecampagne die rond haar op gang wordt gezet ? Wat me er opeens aan doet denken dat palingen levend vers gestroopt moeten worden. Vraag me niet waarom, het is zo. Levend vers, jongens, wat een pret, maar eerst moet de kop eraf anders loop je de kans dat ze je vinger afbijten, de kannibaaltjes. Ik kan je verzekeren dat ze zelfs dan nog heftiger te keer gaan dan een kip zonder kop. Maar nu eindelijk een antwoord op de vraag waarom ik haar als gevaarlijk ervaar. Ik denk, ik vermoed, ik vrees dat zij het soort individu is die zelf iedere «andere » - met andere woorden, iedereen die anders is - als een gevaar ziet. En zo iemand naast het hoofd van een wereldmacht, die kunnen we missen als …
September 08 eet-schrijven: nu in-schrijvenU ITNODIGING4 OKTOBER 2008 EERSTE GROOT JEUGDLITERAIR DINER Volwassen en toch gebeten door jeugdliteratuur? Goed zo! Jeugdliteratuur is een genre dat het waard is op de culturele kaart te staan, ook voor volwassenen! Klaas Verplancke, Diane Broeckhoven, Stefan Boonen, Anna Coudenys, Riet Wille, Frank Geleyn, Veerle Derave, Stijn Moekaars, Kirstin Vanlierde, Willy Schuyesmans, Inge Misschaert, Jan Van Coillie, Inge Bergh en Gerda De Preter schuiven, samen met jou, graag hun benen onder tafel. Tijdens een overheerlijk diner krijg je de kans om met deze fijne vakmensen in gesprek te gaan. Per gang kom je bij een andere auteur aan tafel. Inleiding: 17 uur Diner: 19 uur Locatie: Zaal Bouchout, Brusselbaan 97, 1790 Affligem Ruim parking voorzien Verdere info: info@woestewillem.be Verantwoordelijke contactpersoon: Joke Guns August 29 WaandachtIk doe wat ik doe en vraag niet waarom… deze belegen zingo suizelt in mijn toch al serjeus volgestouwd hersenpannetje en noopt me tot het instant bloggen in plaats van zoveel andere uiterst nuttige daden te stellen die de wereld zouden kunnen verbazen. Wat moet dat moet en daar gaat dit blogje dus blijkbaar over met een verbazingwekkende hoogdringendheid die niet te negeren is. Ik las het verhaal van een schilder die enkel voor zijn kunst leeft. Hij zei: “Schilderen is voortdurend naar de sterren kijken, maar er nooit geraken. Dat onderweg zijn is voor mij de nobelste verblijfplaats. Als ik er zou geraken, zou het gedaan zijn. Nu moet ik altijd opnieuw beginnen. Ik ben verplicht mezelf te verwonderen, te herbronnen.” Daar ben ik het volmondig mee eens. En ook dat kunst begint bij vakmanschap. Als ik in de catacomben van het van het Brusselse museum voor schone, moderne en andere kunst duik, heb ik het nog steeds moeilijk bij de min-achtste verdieping en ik alleen maar glimlachen bij die brave Broodthaers, maar raken doet hij me van geen kanten. Houdt kunst op van zodra een toeschouwer ‘dat kan ik ook’ mompelt? Een heel interessante vraag. De schilder die enkel voor de kunst leefde, vertelde ook nog dat hij zijn geheel eigen universum had, en dat hij zelf geen erkenning van de buitenwereld hoefde en daar dan ook geen enkele moeite voor zou doen. Dat vond ik nu eens echt straf, dat zo boud te beweren. Omdat ikzelf, hoe eigenzinnig ik ook tracht precies te schrijven waar ik goesting in heb, die erkenning wel wil. Omdat ik niet nee zeg als iemand met een microfoon, stylo of godbetert een camera in de aanslag me vraagt om over mijn boeken te vertellen. Onlangs zei ik nee tegen een meneer van de teevee. Omdat hij me niet uit mijn boeken wou laten voorlezen, maar - raar doch waar - uit mijn langvergeten handgeschreven dagboeken… nu ken ik persoonlijk niets dat geheimer is dan een dagboek. Vragen om daarmee op teevee te komen lijkt me een symptoom van een angstaanjagende sensatiezucht die me doet denken aan die enge reporter van In de Gloria die mooi mooi mooi mompelend je privacy komt verkrachten. Waar ik achteraf echter helemaal overstuur van was, dat was van mezelf. Omdat ik geaarzeld had voor ik nee zei. Omdat ik even dacht, mijn tronie op de nationale televisie in praim taim, dan herkennen alle mensen me op straat, word ik misschien die nieuwe HermANNA Brusselmans, want die is ook ooit zo begonnen, zoals de oudjes onder ons nog weten, zijn neus van tussen zijn haargordijn stekend, danku voor uw waandacht en dat alles voor het Goede Doel namelijk de promotie van de lezing van mijn literaire werkzaamheden indien ik daar met al die waandacht dan nog tijd voor zou hebben natuurlijk, want ik, ik wil gelezen worden. Toen me dat allemaal duidelijk werd, groeide er een mooie, serene nee in mijn hoofd. Een zonnige, integere nee die moeiteloos door de lage grijze wolken brak en me weer deed weten waarom ik ben wie ik ben en doe wat ik doe en schrijf wat ik schrijf. En dat niet de kwantiteit van mijn lezers telt, maar wel de kwaliteit. En die is van topniveau.
August 17 TuimelPÄRTen– met dank aan Luc voor de weergaloze woordspeling -
Wat maakt een mens tot mens ? Halverwege de boetekanon Pokajanen weet ik het antwoord. Dat is ongeveer het moment waarop de dame in witzwart geblokte blouse op haar horloge kijkt en de heer met beige t-shirt even de controle over het hoofd verliest dat willoos op zijn borst neerzijgt, op dat eigenste moment dus weet ik het en ik wil het meteen aan allen aanwezig met luide stemme mededelen voor wat het waard is, voor ik het weer vergeet, net zoals ik op een zonnige morgen na een diepe inzichtelijke droom de zin van het leven te weten was gekomen om die meteen ook weer te vergeten en misschien maar best ook want als je de zin van het leven weet, wil je er dan nog wel mee verder? « Mijn leden beven, » zingt het koor met meedogenloze perfectie, gelukkig voor de meesten van de honderden luisteraars in volkomen onbegrijpelijk kerkslavisch, « want met alle heb ik de zonde bedreven : mijn ogen keken, mijn oren luisterden, mijn tong sprak boze woorden …. » terwijl ik word vervuld van de volkomen uit de lucht gegrepen maar niet te negeren gedachte, dat dat wat de mens van alle andere wezens onderscheidt de capaciteit is om zich tweemaal aan dezelfde steen te stoten. Koppigweg, stomweg of in volle verstand, het doet er niet toe, stoten doen we. En soms zijn we er nog trots op ook. Wat me herinnert aan wat Enrique, die acht jaar geleden de woeste hoogvlakten van Equador ruilde voor de Brusselse betonwoestijn, als antwoord wist op de vraag waarom de Europeanen, alles hebbende, toch nog niet gelukkig zijn : « Ze doen elke dag hetzelfde, » zei hij. « Werk, geld, auto, huis. » En hij lachte zijn gouden tand bloot. Straks staat hij gitaar te spelen op de hoek van de Nieuwstraat en soms snauwt iemand tegen hem : « weg met jou, ik wil geen muziek horen », maar hij blijft glimlachen. Elke dag anders. « Losbandig heb ik in de wereld geleefd en mijn ziel aan de duisternis uitgeleverd… » Ik hou ervan als het koor met z’n negenentwintigen zo hard uit de bol gaat dat ze net niet mijn gedachten overstemmen. Net niet, want nu zit ik verdorie aan die triestige robots uit Battlestar Galactica te denken, die dan wel continu alles doen om de mens te vernietigen maar tegelijk niets liever willen dan op hen lijken en dus een fanatieke voorliefde aan de dag leggen voor Geloof en God en voor Passionele Liefde, alles met hoofdletter, vanzelfsprekend. Want dat hebben ze goed begrepen : om op de mens te lijken moet je geloven, geweldplegen en liefhebben. Opeens is het voorbij. En dat terwijl ik net van plan was nu eens echt goed te gaan luisteren. Volgend jaar beter. Later staan we opeens toevallig naast de componist van Pokajanen in een nachtelijke tuin vol geroezemoes en dwaallichtjes. We schuiven voorzichtig naar hem toe, hij is een schuw dier dat elk moment in zijn holletje kan verdwijnen, zijn hoofd zit al diep in zijn jas verborgen, hij probeert zich zo onzichtbaar mogelijk te maken, wat zou hij denken : ach de muziek, ze kwam tot mij, ik hoefde ze enkel neer te pennen, ik weet ook niet hoe het kwam, vraag het mij maar niet, en ik stel me voor hoe ik later ook zo zou zijn, een beetje nukkig, mensenschuw succesauteur edoch op handen gedragen alom, en dan wil ik het ook kunnen, zal ik nu alvast beginnen oefenen, zo’n zwierige onleesbare handtekening zetten met een calligrafie-pen die ik zomaar toevallig uit mijn binnenzak tover, voilà zie, het staat erop, op uw programmaboekje, vielen Dank, herr Pärt, ‘t is niks, schönes Mädchen, en vertel nu eens wat de mens van alle andere wezens onderscheidt ? Zelbstverständlich, een Pärtinente vraag. Maar zullen we eerst een schone steen zoeken om samen op te zitten mijmeren ?
August 08 puntpuntpuntIk zit, loop, lig, sta al een paar dagen aan een blogje te denken dat over het leven en de dood zou gaan en dat zich in bladzijdenlange volzinnen zou afspelen en dat alles omdat ik nu toch weer eens, na minstens twintig jaar, het is geleden van Honderd jaar eenzaamheid dat ik met stomme verbazing verslond tijdens mijn studententijd, een geleend exemplaar vanzelfsprekend, van de sluikharige jongen die onder mij in het studentenhuis woonde en later voetbalverslaggever zou worden maar dat wist hij toen nog niet net zoals ik niet wist dat ik ooit zelf een boek, wat zeg ik meerdere boeken, op die kamer dus die we toen kot noemden in een huis dat we toen gemeenschapshuis noemden en er zat al eens een rat in het toilet, dat droeg bij tot de sfeer van Marquez lezen, want zo heet die schrijver, Gabriel Garcia en hij joeg me zonder een oogopslag honderden bladzijden ver alhoewel hij wel eens een punt achter een zin zette in tegenstelling tot die andere auteur die de Nobelprijs won met De stad der blinden en wiens naam me nu ontglipt en wiens Het jaar van de dood van Ricardo Reis nog steeds halfuitgelezen op me wacht, schitterende roman dat wel maar van zodra je opkijkt van je blad ben je hopeloos de draad kwijt, laat staan dat je het boek toeslaat zonder een bladwijzer te hebben geplaatst, ik vermoed dat dit blogje hetzelfde desoriënterende effect kan hebben maar kijk dat is nu precies de bedoeling en oh hoe geniet ik van dit draadloze ratelen op het toetsenbord, schrijven is lijden, nee toch, schrijven is bevrijden. Punt. Punt. Punt. De lezer krijgt er drie cadeau ter compensatie, te plaatsen naar eigen goeddunken in bovenstaande dichtbeletterde gevechtsformatie.
Even wat witruimte om op adem te komen:
Zo. Waar was ik, juist, dat ik voor het eerst sinds dus minstens twintig jaar weer eens een Marquez te pakken heb, die lekker dik is maar gelukkig ook vol punten staat, in tegenstelling tot de boeken van, ha nu weet ik zijn naam weer, Saramago, dit boek heet Liefde in tijden van cholera, en niemand maar dan ook niemand verbindt het leven zo mooi met de dood als hij. Wat me doet denken aan het begin van dat andere voor mij onleesbare meesterwerk, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, het boek waarvan ik de malsjans of misschien het geluk had om eerst de verfilming te zien die mij ten zeerste aansprak zo danig dat het lezen van de roman zelf nooit meer echt lukte, behalve dan die eerste onvergetelijke bladzijde waarin hij poneert dat het onmogelijk is dat het leven éénmalig is als je al die ervaringen moet opdoen om ze daarna nooit meer opnieuw te kunnen gebruiken. Ja. Ik hoorde het verhaal van een man die op zijn sterfbed verklaarde: als het leven hiermee ophoudt dan is het niet de moeite waard geweest geleefd te worden. Tja. Alan Watts zei dat het leven bij de dood hoort zoals inademen bij uitademen en als je probeert je adem in te houden verlies je het leven, enkel door het leven los te laten win je, dat is pas een hersenbrekertje eerste klas maar ach had die bovenste beste Watts niet behoorlijk wat LSD naar binnen gestouwd toen hij dat schreef? Hij was er trouwens een grote voorstander van om de hele wereld minstens één spacecake per dag te laten eten ter bevordering van de geestesverruiming en de wereldvrede.
Laat het hierbij publiek geweten zijn dat ikzelf een grote voorstander ben van doelbewuste reïncarnatie, dat je, met andere woorden, zelf je nieuwe leven mag kiezen, daarginds, daarboven, tussen de engeltjes, zo van, nu wil ik toch wel eens een man zijn die subliem piano speelt (cello is ook goed), in Venetië woont en tijdens zijn concerten met rozen wordt bestrooid (alle kleuren zijn OK). Alleen zouden dan alle rotlevens eeuwig te koop blijven staan vrees ik, uitverkoop van ellende, drie voor de prijs van een en waar gaan we naartoe als iedereen altijd en overal zijn goesting krijgt? Goesting is koop, zei wijlen ons moeder altijd, een mysterieuze uitdrukking waarvan ik nooit de precieze diepgang heb kunnen doorgronden maar het kwam er op neer dat we steeds weer moesten meehelpen met de afwas. En zo zijn er toch nog zekerheden. July 31 De Gymea LilyIk zou in mijn eigen woorden een verhaal willen hervertellen dat me erg heeft aangegrepen. Het is een heel oud verhaal, een legende die de australische aboriginals een « dreaming » noemen. Het is de dreaming van de Gymea Lily zoals het verteld wordt in «Het orakel van de droomtijd ».
Toen er zware regens uitbraken ging een inheemse stam gewoontegetrouw schuilen in de nabijgelegen grotten. Maar deze keer waren de regens zo hevig, dat er een aardverschuiving optrad waardoor er grote rotsblokken naar beneden kwamen en de doorgang van de grot versperden.
Er was geen andere uitweg en de stenen waren loodzwaar en konden niet verschoven worden. Er was één jongen, een krijger die slanker en leniger was dan zijn stamgenoten en hij slaagde erin zich doorheen een spleetje in de rotsblokken te wurmen en uit de grot te ontsnappen. Niemand anders kon hem echter nadoen.
Het kwam niet in hem op om zijn volk achter te laten en zijn hachje te redden. Of misschien kwam het wel in hem op, heel even, in de opluchting van het moment, toen hij besefte dat hij aan een gruwelijke hongerdood ontsnapt was. Zou hij heel even getwijfeld hebben? Dat vertelt de legende niet. Wel dat hij terugkeerde naar de grot en zijn stamgenoten vertelde dat hij hen voedsel zou brengen dat hij via een koord in de grot zou laten binnenzakken.
Dag en nacht was hij in de weer om voor al die hongerige stamgenoten voedsel en water te zoeken. Dag en nacht klauterde hij op en neer tussen de gevaarlijke scherpe rotsen met zijn zware lasten. Nooit was er voedsel genoeg, nooit was er water genoeg voor iedereen, maar hij bleef volhouden. De dankbare en liefdevolle stemmen die veraf en dof klonken in hun gevangenis van stenen hield hem op de been, ook al vreesde hij dat hij hen nooit zou terugzien : zijn moeder, zijn vader, zijn zusters en broers, zijn geliefde. Er zou een wonder gebeuren, hield hij zichzelf voor, als hij maar lang genoeg volhield, kwam er vast wel een oplossing.
Zo gingen dagen, weken voorbij. De stemmen aan de andere kant van de stenen muur klonken steeds zwakker. Hij wankelde over de rotsen. Hij was uitgeput, verloor steeds meer va nzijn krachten. Tenslotte gebeurde het onvermijdelijke. Hij struikelde en viel en werd op zijn beurt bedolven onder de rotsblokken. Eén hand stak nog boven de stenen uit en met die ene hand kon hij nog net een klein miezerig plantje vastgrijpen.
En uit de hand van de stervende jongeman barstte een weelde van groene bladeren te voorschijn met middenin een wit bloemenhart dat langzaam roodkleurde van zijn bloed. De Gymea Lily was geboren.
De stemmen in de wrede gevangenis achter de rotswand stierven één voor eén. En de grote rode lelie bloeide voor hen allemaal.
|
|||||||||||||||||
|
|