![]() |
|
Spaces home anna coudenysProfileFriendsBlogMore ![]() | ![]() |
anna coudenysa writer's blog
|
||||||||||||||||
|
klik hier voor meer informatie
|
May 07 rugzakje - voor WSVandaag wisselde ik van gedachten via mail - wat een wonderbaarlijke uitvinding toch - met een collega-auteur aan de andere kant van het land. Hij had net Onrustvlinder uit en had vragen, zei hij. Hij niet alleen. Vreemd, schreef ik hem terug, hoe ik weer eens tot de conclusie gedreven word dat geen lezer ooit het boek leest dat ik bedoeld had te schrijven. Ook al schrijf ik het zo precies mogelijk neer - of toch bijna-precies want woorden kunnen nimmer helemaal de beelden die in mijn hoofd leven beschrijven - dan nog vindt elke lezer er iets anders in.
"Laten we deemoedige kinderen worden en lezen wat er staat," schreef hij me. Moeilijk? Nee, misschien zelfs onmogelijk. Want dan moeten wij, volwassenen, ons rugzakje afdoen. Dat persoonlijk rugzakje dat ooit, in die verre kindertijd, heerlijk leeg aan de schouders hing te bungelen maar nu ... juist: volgepropt met edelstenen, puin en pareltjes die labels als opvoeding, ervaring of emotie dragen. Dat rugzakje heb ik natuurlijk ook, of moet ik onderhand dat verkleinwoordje weglaten? En met dat ding op de rug schrijf ik boeken. Ik kan me niet voorstellen hoe het zou zijn om het zonder te doen. Zou ik wel nog schrijven? Of gewoon in het lentegras flierefluitend naar de wolken liggen staren? Of misschien is schrijven wel precies een manier om in dat rugzakje te kijken en er af en toe iets uit weg te gooien zodat het wat lichter weegt en er plaats is voor een kilo pluimpjes in plaats van een kilo lood?
In onrustvlinder zit een raadsel dat ik nooit echt als raadsel bedoeld heb. Nee, het was eerder bedoeld als een soort samenzwering tussen mezelf, mijn lezers en mijn personages. Zo van: we weten wel beter, maar we spelen het spelletje mee. Tot op het einde. Tot voorbij het einde zelfs. Sommigen vragen dan ook wanneer er een vervolg komt. Nooit, vertel ik hen. Het vervolg mag je zelf schrijven. In je gedachten, puttend uit je eigen rugzakje. Schrijver dezer reist verder, kan niet blijven stilstaan op haar pelgrimstocht van boek naar boek, naar een nieuw en geheel ander literair avontuur waarmee ik door mijn eigen grensjes breek. Met rugzakje en al.
May 01 train of thoughtBoven de traphal van een zij-ingang van het grauwe doolhof dat Brussel Centraal heet, hing een opschrift 'Lose Your Train of Thought', geen graffiti van een overjaarse hippie met heimwee naar '68 maar een officieel lijkend bericht in wat ooit nette witte letters waren. Het station wordt gerenoveerd, de laatste restanten van de belettering zijn weggekrabd, enkel hun schaduw blijft nog over. Komen ze ooit nog als nieuw en helderwit terug of worden ze definitief geschrapt wegens achterhaald, niet meer van deze tijd?
Lose Your Train of Thought...soms heb ik zo veel te schrijven dat mijn pen de tgv van mijn gedachten onmogelijk kan bijhouden.
Ik wilde het onder andere over schrijven hebben en het waarom en hoe en dat schrijven als ademen is en ik het dus zal blijven doen zolang mijn hart klopt ook al is er altijd te weinig tijd voor en daarmee samenhangend dat andere ding dat het leven van een schrijver pas echt comfortabel kan maken, dat vierletterwoord dat ik hier maar terzijde laat, mijn hart klopt, ik adem, ik schrijf.
Ik wilde het onder andere over de robinia in de tuin hebben, die eindelijk, eindelijk in groene botten is uitgebarsten. Ooit heeft hij er tot half mei over gedaan voor hij besloot dat hij toch nog zin had in het leven. En nu ook weer: ondanks alle aanmoedigingen van: je kan het, je kan het, zag hij er tot nu behoorlijk dood-achtig uit.
Ik wilde het hebben over die bedelaar in datzelfde station, een van de velen. Hij was anders. Hij stond in een hoekje en hield zijn hoofd gebogen en strekte zijn hand uit, latrecht. Een lege hand. Hij was het moe om mensen te proberen in de ogen te kijken. Wie een bedelaar in de ogen kijkt, erkent zijn bestaan.
Ik wilde het hebben over magische plekken in je leven. Plekken die je nooit vergeet omdat daar Iets gebeurde, een inzicht, een lichtflits, een glimlach, een blik van herkenning. Geen plekken zoals dat vuile hoekje in het station, of wel soms?
Na het werk nog naar de supermarkt. Karretjes in vijfde versnelling. Maandag, de diepvries moet gevuld voor de hele week. Uitgeputte schoolkinderen zeuren om suikergoed. Winkelbediendes gooien zakken chips in de rekken met de verbetenheid van een kortsluitende robot. Door de luidsprekers murmelt opeens dat prachtige duet tussen Peter Gabriel en Kate Bush. Whatever may come and whatever may go, that river's flowing...
Don't give up. Voor de robinia in de tuin, voor de bedelaar op de hoek, voor...
April 15 Proeven van onwetendheidDieppaarse donderwolken trekken samen boven de hoofdstad. Het piepkleine parkje is één en al vijver. Een kudde meeuwen is net neergestreken, doet hard alsof ze op zee zit en jaagt de plaatselijke eendenkolonie de oever op. Daar ligt een overdaad aan taai stok- en andere broden op hen te wachten ondanks de tientallen bordjes "verboden te voederen". De eenden hebben geen honger. Ik moet aan Lambik denken, in die ongeëvenaarde openingsscène van "De apenplaneet": hij komt een broodjeszaak binnen en bestelt er ééntje zonder hesp. Maar dat hebben ze niet meer, zegt de verkoopster, en of eentje zonder kaas ook goed is?
Geen apeninvasie maar die dieppaarse dreiging boven onze hoofden zorgt ervoor dat de weinige wandelaars de bankjes ongemoeid laten. Een enkel bankje is maar bezet. Een dun, modieus meisje zit er op de leuning een streep in haar billen te creëren, haar voeten op de zitting van de bank. Naast haar staat een dunne, modieuze jongen. Ze babbelen lacherig en net als ik voorbij komt geeft de jongen het meisje plagerig een fikse tik tegen haar wang. Ze kan ermee lachen. Nu nog wel.
Dan vallen de eerste druppels. Ze herscheppen het wateroppervlak tot een kunstwerkje. Duizenden zich steeds hernieuwende kringetjes uitdeinend vanaf een perfect druppelhart, botsen tegen elkaar aan, onophoudelijk hetzelfde maar toch steeds anders. Zou het wateroppervlak weten wat regen betekent? Of zou het zich afvragen waar ze toch vandaan komen, die plotse pletsende puntjes op zijn huid? De regendruppels, weten zij het? Vragen zij zich af, eenmaal op het wateroppervlak geland, hoe ze daar ooit gekomen zijn en waarom, waarom toch, en waarom ze willens nillens ophouden? Herinneren zij zich de wolken nog?
Later, veel later, rijd ik langs de omgevallen beuk. Hij hangt al maanden schuin en dood tegen een omheining aan en is langs alle kanten afgezaagd, klaar om helemaal versneden te worden. Op de snijrand van zijn stam zie ik nu groene twijgjes verschijnen. Veel vrolijke groene twijgjes.
Een druppel zoekt zijn weg naar de wolken.
April 06 Open brief aan de leerlingen van SASK 4Beste lezers en lezeressen
Verplichte literatuur! Het doet me denken aan mijn lang vervlogen schoolgaande dagen. Mij maakte het toentertijd niet veel uit, ik las toch letterlijk ALLES, alhoewel… ik heb er toch een hartgrondige hekel aan Ward Ruyslinck van overgehouden, de arme man (Wie is me dat nu weer?) Nooit ofte nimmer zou ik toen gedroomd dat sommige van mijn boeken die eer van verplichte lectuur ooit te beurt zouden vallen. Eer? 't Is hoe je 't bekijkt, natuurlijk. Als "verplicht" betekent dat je na een boek van mij nooit meer iets van die Coudenys in je pollen neemt, dan vind ik dat maar een vergiftigd cadeau want dan kan ik hier nog zo hard staan roepen dat al mijn – tot nu toe 6 - boeken anders zijn en boek zes helemaal niet op boek vijf lijkt en boek vier al helemaal anders is dan boek drie of twee of één. Dan zou ik jullie lieve leraar Nederlands aanraden toch maar weer Ward Ruyslinck op het menu te zetten. Die is al stokoud dus gedissecteerd worden zal hem niet veel pijn meer doen.
Onmogelijk voor mij om op al jullie vragen en commentaren op Yaka Mama een antwoord te geven. Vaak heb ik het antwoord zelf niet, want mijn boeken schrijven nu eenmaal simpelweg zichzelf. Ik mag de pen vasthouden en in mijn teletijdmachine kruipen om vervolgens ergens heen te reizen, uit te stappen en vol verbazing rond te dwalen. Ik was al in de verre toekomst met Goudmens en maakte daar een groene maar wrede wereld mee, soms reis ik niet zover en vang ik mijn verhalen op in deze eenentwintigste eeuw zoals in Wilde Lucht, soms duik ik echt heel diep het verleden in zoals zopas met Onrustvlinder waar het wijzertje van mijn machientje opeens op 1469 bleef staan en ik in een thriller terechtkwam waar geen hedendaagse tv-serie ooit aan kan tippen. Altijd voel ik me een ontdekkingsreiziger en een avonturier en is zo’n boek schrijven een enorm spannend evenement.
Natuurlijk heb ik graag dat ook het lezen van mijn boeken een avontuur is. Niet altijd een “gemakkelijk” avontuur, dat geef ik grif toe. Ach ja, genoeg gemakkelijks in de wereld. Gemakkelijk vind ik persoonlijk synoniem voor saai. Een beetje uitdaging, een beetje veel uitdaging, laat maar komen! Nee dank u aan de eenheidworst die overal hetzelfde smaakt!
Maar goed, terug naar Yaka Mama. Toen ik uit mijn teletijdmachine stapte, zag ik een wereld die mij vreemd was. Een wereld waar zoiets als “pubers” niet bestond. Je was kind, daarna was je volwassen. Punt. Daartussen niets. Kinderen moest je zien en niet horen, dat was de boodschap. Ze moesten ook niet te veel weten, dat was niet goed voor hen. Bovendien was ik in Belgisch Congo beland en daar was het al helemaal ingewikkeld. Zwart en blank, ze leefden niet zonder problemen samen.. En dan is er die heel vreemde politieke situatie van de “independance” waar niemand kop noch staart aan kreeg , zelfs de politici niet. Geen mens die kon voorspellen wat er precies zou gaan gebeuren, en het heeft lange tijd geduurd eer men zelfs wist wannéér. Tot de bom barstte.
Mijn personages zitten vast in het keurslijf van die geschiedenis. Ik had ze er zo graag uit willen bevrijden en bijvoorbeeld dolgraag Stientje laten bevriend worden met Victoire. Maar dat lukte langs geen kanten, iemand met het karakter en de achtergrond van Stien kon nooit bevriend raken met een zwart meisje. Nooit. Magda wel. Maar met Magda loopt het slecht af…. Ik was er ook niet gelukkig mee toen Adam teruggevonden werd. Tot op het laatste moment ben ik blijven hopen dat het misschien zijn broer zou zijn, zijn broer die er ongeveer net zo uitziet. Maar toen zag ik de krokodil in zijn hemdzakje zitten. Die krokodil heb ik nog steeds. Hij is eens lelijk gevallen en heeft daardoor flink wat van zijn tanden verloren, maar hij staat op mijn bureautje naast de driekoppige asbak waarin meneer Vandesande sadistischweg zijn sigaren uitduwde. De foto van dat meisje dat in de Lac verdronk, kan ik ook meteen te voorschijn toveren, samen met die van Benoît, van pater Remy…. Het meisje heette niet Magda maar haar ouders zijn het verdriet ook nooit helemaal te boven gekomen.
Veel volwassenen die in Congo zijn geweest, zijn me na het lezen van Yaka Mama komen vertellen dat het precies zo was als ik het beschreef. En dat ze bijvoorbeeld Monsieur Henri nog gekend hadden. Daarom heb ik vooraan in het boek laten zetten dat alle personages fictief zijn. Dat is ook zo. Maar toch was ik heel blij dat al die mensen van alles in mijn boek herkenden, dat wil zeggen dat het “echt” lijkt en daar ben ik trots op. Want ik ben zelf nooit in Belgisch Congo geweest. Behalve met mijn teletijdmachine natuurlijk. Handig. En niet moeilijk in elkaar te flansen. Je hebt er alleen verbeelding voor nodig.
Ten slotte: Dank jullie wel voor het heel aandachtig lezen van mijn boek. Het vele uitpluiswerk en kritische commentaar neem ik er graag bij want daar leer ik zelf ook heel wat van. Maar boeken zijn er ook om gewoon van te genieten…
Tot schrijfs!
Anna March 25 SeppeNa weer zo’n intens boek voel ik me precies als een spion met een moeilijke maar geslaagde opdracht achter de rug. Dan moet er gedebrieft worden, zoals dat in spionagetermen heet. Ik herinner me hoe ik na Yaka Mama volop Afrika rook en heimwee had naar de moambe die ik nooit gegeten heb en de nachtelijke tamtams die ik nooit bij volle maan heb horen roffelen in de brousse . Hoe ik iedereen wilde vertellen dat een glas Cola in 1960 in Leopoldstad echt wel vijf frank kostte en andere onbenullige wetenswaardigheden waar mijn hoofd propvol van zat. Mijn favoriete liedje dat mijn gemoed toen perfect weergaf was Bar Tropical van Johan Verminnen, een kind uit de tropen, een kind zonder land…
Met Onrustvlinder is het al even heftig gesteld. Ik ben in de middeleeuwen geweest, ik heb er rondgelopen en taai reigervlees geproefd op een hoofs banket bij de Adornes en van dat veel te zure gruutbier gedronken in een goor kroegje dat de De groene papegaai heet en waar de waard wel eens het bier met water durft aan te lengen tot grote ergernis van zijn vaste klanten. In dat kroegje zit Seppe vaak. Soms zit de geheimzinnige Luigi naast hem. Joris, een van de eerste lezers, zei me gisteren dat die Luigi toch niet echt sympathiek is, en daar moet ik hem gelijk in geven. Luigi leeft met een doem boven zijn hoofd, met de wetenschap dat hij elk moment voorgoed kan verdwijnen als de Vloek hem overvalt. Dat maakt hem arrogant en kribbig en wispelturig en intens. Seppe houdt van Luigi, dat staat buiten kijf. Hij hoopt dat het ook omgekeerd zo is, maar daar is hij niet-nooit zeker van. Luigi heeft Seppe immers nodig. En is nodig hebben een teken van liefde? Heeft Seppe Luigi nodig? Impliceert houden van ook nodig hebben?
Ik denk niet dat Seppe daar ooit bij stilgestaan heeft. Voor hem staat de loyaliteit aan zijn vriend buiten kijf, wat er ook gebeurt. En toch slaagt hij erin, precies door dat vanzelfsprekende en natuurlijke gedrag, zichzelf te blijven en zichzelf niet te verloochenen. Het komt wel goed met Seppe, uiteindelijk. Zelfs als Luigi definitief zou verdwijnen, zou hij toch weer op zijn pootjes terecht komen. Zou. Verdwijnt Luigi? Kan hij de Vloek overwinnen? Ik vraag het me nog steeds af…
March 24 AdornesToen ik het beroemde schilderijtje van Petrus Christus zag, van dat strak kijkende meisje in veel te donkere tinten voor haar leeftijd, niets vrolijks, niets fleurigs maar een en al georchestreerde ernst en rijkdom, wist ik meteen dat zij Lowyse Adornes was. Ze was duur gekleed, peperduur. Modern en vooruitstrevend, kledij die ook voorkomt op de schilderijen van Memling, een kunstenaar die enkel de hoogsten en rijksten van Brugge en omstreken vereeuwigde. Een façade, dat gezichtje van haar. Wat ging er achter schuil? Een leven in een gigantisch gezin, op het ogenblik van mijn verhaal is het dertiende kind op komst, een vader die zowel edelman, diplomaat, ridder als bedrijfsleider was en veel geld nodig had om zijn status te onderhouden. Een religieus man ook, fanatiek religieus voor onze tijd maar “doodnormaal” voor de tijd waarin hij leefde, hoe religieuzer je was, hoe “beter”. En Anselm Adornes, Lowyses vader was een van de besten op alle vlakken.
Als je hem wil ontmoeten, ga dan naar de Jerusalemkerk in Brugge. Zijn geest waart er nog steeds rond, na meer dan vijfhonderd jaar. Je komt hem tegen van zodra je de deur opendoet. Het is er schemerdonker, ook op de stralendste zomerdag. Doe enkele stappen en huiver bij het aanblik van zoveel religieuze somberheid. Doe enkele stappen en je botst op zijn graf. Je ziet hem liggen, koninklijk gebeeldhouwd in de traditie van de grootse vorsten van die tijd. In zijn kist vind je echter niet zijn botten terug. Nee, enkel zijn hart is ooit bij zijn dood overgebracht uit Schotland en in zijn doodskist gestopt, naast het gebeente van zijn vrouw die enkele jaren eerder overleed en hem zestien kinderen baarde, waarvan er twaalf overleefden. Anselm Adornes stierf een gewelddadige dood, en ook dat past in de beste Edele traditie. Ga eens kijken, toe dan, doe die deur open. Je zal niet lang blijven, niemand blijft lang, maar misschien net lang genoeg om de sfeer van de familie Adornes in Onrustvlinder op te vangen.
Maar ik wou eigenlijk over mijn favoriete personage in het boek schrijven, Seppe, straatjoch en trouwe vriend van Luigi de Vervloekte. Dat is dan voor de volgende keer.
March 07 naweeënHoe het voelt? Moeilijk te omschrijven. Alsof je iets kwijt bent en tegelijk gewonnen hebt. Er is een citaat van GB Shaw dat ik nooit zal vergeten, het komt uit Major Barbara, een draak van een toneelstuk dat we ooit moesten opvoeren aan de universiteit en waarin ik een meisje van het leger des heils (in uniform!) mocht spelen dat een klap in het gezicht kreeg van een lompe dronken bruut en precies drie zinnetjes te piepen had en dan mochten we ons gelukkig prijzen want de studenten van het vorige jaar hadden een toneelstuk moeten opvoeren waarin de meisjes als verdomde amazones verkleed over het toneel moesten huppelen, aangezien het een katholieke universiteit was en meer dan 25 jaar geleden niet met de borst bloot maar toch met behoorlijk wat overtollig wit vlees te zien dat hen in slechtzittende pakjes en met dodelijke belichting op vrouwelijke holbewoners deed lijken. Nee, dan een uniform van het leger des heils! Het citaat dus, uit Major Barbara: “you’ve learned something and that always feels like you’ve lost something.” Zo is dat ook met boeken af hebben.
Deze week kreeg ik namelijk het Eerste Exemplaar van Onrustvlinder in handen. Of beter, de postbode (op brommertje, met sigaret in mondhoek) dumpte haar (ja, dit boek is een meisje) in de blauwe bak aan de voordeur die als brievenbus dienstdoet bij gebrek aan brievenbus, handig, zo kan de man ook zijn grote boodschappen kwijt zonder te hoeven aanbellen, en daar vond ik haar dus, met een blinkende, blinkende rode kaft, en ze stond propvol letters die zichzelf schijnbaar geschreven hadden maar die me vaag bekend voorkwamen. Meer dan tweehonderd bladzijden letters. Aangezien mijn naam op de kaft stond en mijn snoezig smikkeltje op de binnenflap, wist ik dat ik er iets mee te maken had. Ik stak haar in mijn tas, en nam haar overal mee om haar toevallig boven te halen. Op de trein bijvoorbeeld. “Tiens, wat ben je daar aan het lezen?” “Oh, iets van mezelf, toevallig…”
Nee, het went niet. Ook bij nummer zes niet. Het blijft een verrassing en een verbazing en een verwondering en een verrijking en een verdorie nog aan toe. En zo wil ik dat het liefst houden ook. De dag dat een boek routine wordt, stop ik ermee en ga ik eindelijk bonsais kweken of ikebana doen. Of nee, een TV kopen. Zo een met 357 posten en twintig zappers waar nooit iets op is. Dat zal snel wennen. February 29 Slapen met wolfjes - voor Misha D
Misha Defonseca, zo noemde ze zichzelf. Met zo’n naam moet je ooit het nieuws halen, zeker als je bekent je dat je je jeugd toch niet tussen de wolven te hebben doorgebracht. Ik kende de dame van haar noch pluimen, tot ik haar als item 12 van het middagnieuws vermeld hoorde, tussen de eeuwigdurende regeringsperikelen en de aankondiging van twee depressieve gedachten en drie druppels lente door. De auteur had de succesroman over haar wonderlijke jeugd tussen de wolven verzonnen, wist de nieuwsdame te vertellen, en daar had ze zich nu uitgebreid voor verontschuldigd. Want miljoenen mensen hadden haar geloofd, dat ze het echt had meegemaakt, dat van die wolven. In Frankrijk. Waarmee ik niets wil zeggen. Ze heet bovendien gewoon Monique Dinges, werd er droogjes aan toe gevoegd alsof dat alles verklaarde. Moniek Dinges tussen de wolven, nee, nee, nee. Geef toe, dat past als een tang op een varken, om nog eens een schone uitdrukking van ons moeder zaliger vanonder het stof te halen. Eerst te zot en dan te bot, dat was ook een van ons moeders favorieten, tot grote ergernis van ons, kinderen, want dat waren we, zot en dan bot en dan was het om zeep. Vooral als ’t hard waaide of bij volle maan als de wolfjes in ons hoofd van jetje gaven. De wolfjes, die zaten dus ook in het hoofd van die in Frankrijk gevierde auteur die nood had aan escapisme, om alle soorten redenen beter bekend bij haarzelf, en dat zo goed deed dat ze er succes mee had. Met dit blogje wil ik haar even een hart onder de riem steken, vice versa mag ook indien ze daar meer mee gediend is. Ik ben voor. Voor vervalste biografieën. Ik beloof plechtig dat als ik er ooit een schrijf, die onder een wonderlijke schuilnaam de wereld zal ingestuurd worden en bol zal staan van de onwaarheden, overdrijvingen, waanzinnen en andere heerlijkheden waarmee ik me eens goed zal laten gaan. Stijl Defonseca als het ware. Waarom ook niet? Is er een onder u, waarde lezers, die kan beweren zich iets precies te herinneren? Precies zoals het was? Daar de hand voor in het vuur durft te steken? Confrontatie met getuigen durft aan te gaan? Wie van u durft te bekennen nog nooit aan geschiedvervalsing te hebben gedaan? Laat dat madammeke toch, als ze een schoon boek geschreven heeft, dat is toch al een prestatie op zich? En wat dan nog, dat ze zei dat het echt was, dat maakt het des te appetijtelijker. En trouwens, wie zegt dat het niet echt was, ergens, in een of andere werkelijkheid? Als ik schrijf, is het ook echt, verdomd echt, echter dan echt. Als ik morgen Lowyse Adornes tegenkom, het hoofdpersonage uit mijn nieuwe roman Onrustvlinder, zal ik er heus niet van opkijken. Och ja, da’s waar ook, die heeft echt bestaan. En alles wat ze in mijn boek meemaakt is vanzelfsprekend historisch verantwoord. Of toch niet? Dat moet ik haar toch eens vragen.
February 25 boekbespraaktHmm, er wordt weer heel wat boekbesproken merk ik! Ik herinner me mijn eigen boekbespreekdagen en ben één en al mededogen. Niets zo enerverend immers om te maken als een boekbespreking mét samenvatting mét thema mét hoofdpersonages mét hoe mét waarom mét originele beoordeling mét citaat van de auteur. Dat laatste zou niet al te moeilijk mogen zijn, beste vrienden schoolgaande jeugd. Edoch, om de originaliteit van jullie werken te verhogen wens ik hier en nu over te gaan tot een korte retrospectie. Zes boeken heb ik reeds gepubliceerd, of toch bijna reeds, nog een paar weken geduld voor de jongste telg er is. Even mezelf ondervragen over het waarom van elk boek.
- Beste Anna, waarom elk boek? - Welnu, ik ben blij dat ik mij deze vraag stel, want die had ik dolgraag eens beantwoord, dus dat komt goed uit. - Goed, vertel eens over je eerste boek: Het ontbrekende portret. - Mijn eerste boek, daar ben ik aan begonnen omdat ik ontdekt had dat sommige auteurs dan wel best fijne boeken konden schrijven, maar in werkelijkheid heel oninteressante kwibussen waren, of nog erger: enge engerds. Dat vond ik een raar fenomeen waarover ik wenste te berichten. Dus liet ik een meisje, Kaat, kennismaken met haar favoriete auteur. En dat ging mis, supermis. Was me dat een rotvent zeg. Dus ging Kaat op onderzoek en ontdekte wat er met die man aan de hand was. - Aha, mogen we stellen dat er een waarheidsgetrouw trekje in dat boek zit? Wie is die enge auteur? - Hoe bedoelt u? Volgende vraag, graag! - Eh, tweede boek dan maar, over David. - Het geheim van David, daarvoor vond ik mijn inspiratie in de krant. Er stond een artikeltje over een Amerikaanse jongen die zijn vader per ongeluk had doodgeschoten. Dat vond ik zo straf, dat ik er een boek over wou schrijven. - Maar de vader van David in jouw boek sterft niet? - Nee, het boek is net iets minder dramatisch dan de werkelijkheid. Zoals zo vaak. In die periode werd mijn papa geopereerd aan zijn hart en kreeg hij een pacemaker, dus dat element heb ik ook in mijn boek gebruikt. En bovendien had ik heel speciale buren, dus die zorgden ook voor een overvloed aan inspiratie. - Dus je huidige buren kunnen maar beter oppassen? - Die loeien en mekkeren en hinniken alleen maar…. Zal ik over boek drie vertellen? - Goudmens? - Toen eraan begon, had ik net een wolk van een dochter gekregen. En opeens begon ik me razend veel zorgen te maken over de staat van de wereld. (Nog altijd overigens, maar dat tussen haakjes) Ik bedacht een ideale wereld, of tenminste, dat was de bedoeling. Een wereld met Natuur er in, in overvloed, zonder TV, auto’s, school, allemaal dingen waarvan ik niet meteen het nut inzie. En iedere keer als we over de autostrade reden (nog zo’n vreselijke uitvinding), dan stelde ik me voor hoe die er zou uitzien zonder auto’s erop: een desolate betonvlakte waarvan niemand zich zou kunnen voorstellen waarvoor die ooit gediend heeft. - En toen kwam Yaka Mama. - Dat boek hangt natuurlijk helemaal samen met mijn eigen koloniale verleden, of beter: het gebrek eraan, want ik ben alleen maar in Belgisch Congo verwekt, en er zelfs niet meer geboren omdat de onafhankelijkheid ertussen gekomen is. Dat vond ik heel vervelend want mijn ouders en zussen spraken over Congo als over een verloren paradijs. Dus daar wilde ik al heel mijn leven weer naartoe. Omdat zoiets in werkelijkheid onmogelijk was, moest ik er wel een boek over schrijven. Het was mijn eerste historische roman en dat was niet simpel, verdorie! Zoveel feiten en beperkingen om mee rekening te houden. Mijn personages konden helemaal niet doen waar ze zin in hadden en daar konden ze niet mee lachen. - Wilde lucht, vier jaar na Yaka Mama? Een moeilijke bevalling? - Het boek zelf was er snel, maar die heuse soundtrack erbij, dat vergde wel een hele inspanning. - Was het de moeite waard? - Ik heb nog altijd het gevoel dat Roel van Veldt - de componist - en ikzelf hiermee een echte krachtsinspanning van jewelste hebben geleverd om dat avontuur tot een goed einde te brengen. Na Yaka Mama wou ik weer eens een hedendaags verhaal vertellen, iets met veel liefde en veel muziek erin. Mijn inspiratiebron hier was Jeff Buckley, een heel talentvol muzikant die slechte één plaat had uitgebracht voor hij verongelukte, ondertussen al meer dan tien jaar geleden. Alleen kreeg ik alle aspecten van zijn karakter niet in één persoon, en moest er twee van maken. Daar kon niet anders dan heibel van komen voor mijn hoofdpersonage Lia, die van geen hout meer pijlen wist te maken toen ze op allebei verliefd werd. Ik had echt met haar te doen. Maar ik denk dat het uiteindelijk toch goed is gekomen met haar. - En je laatste? - Ah, Onrustvlinder…Het onderwerp daarvoor heb ik aan zuster Kristina te danken, de archivaris van de St-Trudoabdij van Male. Zij stelde me aan Lowyse Adornes voor, een vijftiende-eeuwse nonnetje, die op haar twaalfde het klooster in moest. - Een religieuze roman? - Ja hoor! Er wordt flink wat afgebeden! Nee, serieus, wat Lowyse meemaakt in Onrustvlinder, dat is een heuse thriller waar je haren van overeind komen. - Dank je, Anna. - Geen dank, Anna, ’t was me een waar genoegen. - Mij ook. - En mijn volgende boek, wat wordt dat? - Ah, laat dat nog een mysterie blijven, ook voor mezelf…
January 26 redelijk wanhopigHoe het met de liefde is, vraagt ze aan haar vriendin, redelijk zegt die, redelijk, redelijk. Een bezadigd antwoord waarbij de ander een twijfelgezicht trekt. Ze zijn tegenover me op de tweemaal-tweezitsbank van de trein geschoven, de twee vriendinnen. Ik heb mijn oortjes in maar het schermpje van mijn mp3spelertje brandt niet meer. Zij praten, zeker dat ik niet luister. Mijn ogen zijn dicht. Zo hoor ik de muziek beter. Een auteur moet toch ergens zijn schrijfmateriaal vandaan halen, ’t kan niet allemaal verbeelding zijn. Hoe oud zijn ze? Rond de dertig, vermoed ik. Hebben een job, een handtas en een abonnement op een tijdschrift, een appartementje en een tweedehandse auto. De redelijke vriendin glimlacht dat het wel goed gaat, maar toch…Ha, daar hebben we het. De beroemde, beruchte, vermaledijde ja, maar. Geen twee gevaarlijker woordjes om na elkaar te plakken. ‘Ja, ja, ik hou van hem maar…’ Verder geraakt ze niet want in één van de handtassen rinkelt een mobieltje, blijft rinkelen. De vriendin die naar de liefde van haar reisgenote vroeg, kijkt bitter. “Dat zal hém wel wezen. Nee, ik neem niet op. ’t Is gedaan.’ ‘Meen je het?’ ‘Weet je wat hij zegt? Dat hij van zijn vrijheid houdt. Dat we niet zo meteen dag en nacht aan elkaar hoeven te plakken. Ik heb mijn vrienden, zegt hij, mijn hobby’s, ik ben graag alleen, gewoon alleen, met een boek of een cd of zelfs met mij pc. Begrijp je?’ De ander knikt haar kop er bijna af, zo goed begrijpt ze het. ‘En dan bel je me op’, bootst de ene de stem van haar vriend na. ‘Uren aan de telefoon. Met levensvragen en prangende kwesties en je weet het nochtans, dat ik niet graag telefoneer!’ Ze knikken en knikken naar elkaar, zusters in nood. ‘Omdat je zijn stem wil horen, omdat je hem mist, omdat hij je zelf niet belt.’ ‘Precies, zo is het. Jij begrijpt me tenminste. Waarom neemt hij zelf niet één keer het initiatief? Eén sms’je is genoeg, af en toe. Zodat ik niet het gevoel krijg dat…’ ‘….alles van één kant moet komen.’ Het is tijd voor een andere combinatie van woordjes. Water in de wijn. Een mens moet water in zijn wijn doen, dat is toch zo? Dat zij er al een flinke scheut water heeft bij gedaan, zegt zij. ’t Moet van twee kanten komen, hoor ik de vriendin verkondigen bij wie het allemaal zo redelijk gaat. Verdomd nog aan toe. ’t Moet van twee kanten komen. Van twee kanten een scheut water in de wijn. Lekker.
In het centraal station haast de wanhopige vriendin zich samen met mij naar de metro. We hebben geluk. We gooien ons gezamenlijk tussen de fluitende deuren van het klaarstaande metrostel en vallen hijgend tegen elkaar aan als het ding zich in beweging zet. Het mobieltje rinkelt weer. Deze keer neemt ze wél op. Haar stem is verdrietig doch kordaat. Dat het zo niet langer kan, zegt ze, dat ze de druppel heeft gezien die de emmer doet overkoken, dat ze er genoeg van heeft, je houdt je aan geen enkele afspraak verkondigt ze terwijl ze aan de halte kunst-wet haar elleboog in mijn middenrif ramt – hoe heerlijk moet het zijn om metro-chauffeur te zijn, plankgas bij het vertrek, remmen dichtgooien bij aankomst en tussendoor proberen op 1 minuut tijd 200 per uur te halen, zelf veilig ingesnoerd met veiligheidsriem en valhelm en parachute terwijl de passagiers zich in doodsangst aan de plakkerige stangen vastklampen – en dat het leven toch wel niet méér dan dat is: afspraken maken en ze nakomen, en dat hij dat nog altijd niet begrepen heeft. Dat is het leven, zegt ze verbeten tegen haar mobieltje, en ze knijpt er hard in tot het blauw ziet en piept als een verstikte muis. We duiken er de volgende halte samen uit, maar dan scheiden onze wegen. Zij links, ik rechts. Straks maakt ze een tikfout in haar brieven en vergeet ze een belangrijke afspraak, vervuld met de gedacht aan hém, hij die zijn afspraken niet nakomt, nooit water in zijn wijn doet, en van wiens kant het nooit ofte nimmer komt, wat die het ook mag wezen, het komt niet, het komt godverdomme niet, hoe lang je ook wacht, hoe kwistig je zelf ook met scheuten water hebt omgesprongen.
Ik denk aan de kerk die nooit netjes in het midden staat, samen met de waarheid, die ligt ook nooit in het midden maar ergens in een klein hoekje of zit daar het geluk misschien, en dat die twee elkaar daar waarschijnlijk nooit zullen vinden.
Hoe zou de wijn zonder het water gesmaakt hebben?
January 19 vaarwel, adieu, goodbyeTwee jaar geleden kreeg ik van een attente vriendin een gloednieuw notitieboekje cadeau. Een heel mooi boekje, er stond een partituur van Beethoven op de kaft en je kon het met een magneetje laten dichtvallen zodat het niet slordigweg helemaal opengeklapt in je handtas terechtkwam tussen de vijftien lekkende balpennen en de papieren zakdoekjes om dan met zielige gedeukte blaadjes weer opgevist te worden als dat lumineuze idee er opeens was, je weet wel, op een moment dat je absoluut niet van lumineuze ideeën gediend bent, tijdens een vergadering, een telefoongesprek, of godbetert, rechtopstaand in een stampvolle metro.
Het duurde een tijdje voor ik het wilde gebruiken. Daar was het te mooi voor, vond ik. En eenmaal het eerste blad beschreven - wat zou het zijn, een boodschappenlijstje, een gedicht, een snel rekensommetje? – is het nieuwe er definitief vanaf.
Ondertussen was ik – hoe kan het ook anders - aan een boek aan het denken. Een boek waarvoor ik al jaren opzoekingen aan het doen was en waarvan ik al heel wat fragmenten op papier had, maar niet hét fragment, dé zin waardoor ik zou weten dat het goed was. Het boek dat straks écht helemaal af is.
Is het dat dan verdorie nog niet, zal de aandachtige blogjeslezer zich verwonderd afvragen, je bent er nu al sinds juni vorig jaar over bezig, dat het af is, waar of niet? Welja, zo ongeveer, maar binnen achtenveertig uur helemaal, beloofd, dan komt het front ter bevrijding van het manuscript het uit mijn handen rukken en gooien ze ‘t meedogenloos de drukpers in, dus nu ben ik heel langgerekt afscheid aan het nemen, het is mooi geweest, het is voorbij, hier nog een punt, daar nog een komma of een hoofdletter, vaarwel bladzijde vier, tot ziens, bladzijde tweeëndertig, auf wiedersehen, bladzijde negenentachtig, adieu, bladzijde honderddrieëntwintig.
Waar was ik gebleven? Ah, het notitieboekje. Op een mooie doch koele lenteavond was het zover. Ik weet het nog goed, ik was thuisgekomen, had mijn jas nog aan, stond mijn handen te warmen bij de kachel, en toen…toen was hij daar. Dé zin! Ik graaide in mijn tas, vond een potlood, klapte vliegensvlug het blanke boekje open en schreef. Een magisch moment. De eerste zin van De Onrustvlinder:
Het was de tijd dat de engelen nog tussen de mensen leefden.
December 31 drie piepers
Verbazingwekkend met wat voor een nonchalance we van een voorbij jaar afscheid nemen, weg ermee, schop onder de kont, daar is het nieuwe al, nee, inpakken hoeft niet, het is om meteen te verbruiken, slordig en snel in plakkerige plassen champagne en rode feestneuzen en klapzoenen. Piepers, noemden we die vroeger, in West-Vlaanderen, ooit lang geleden toen tot twaalf uur opblijven nog een privilege was, geef tante Roza een keer drie schone piepers, tante Rosa zwom in de eau-de-cologne en bood mij een poederige wang aan die smaakte naar bakbloem en later na de nieuwjaarsbrief een cent voor op de spaarboek, voor later als je groot bent.
Nu ik al weer aan het krimpen ben en de jaren aan mij voorbijjagen neem ik op de laatste dag van 2007 een moment van schrijvende stilte in acht, om het te herdenken, het jaar dat voorbij is en wat het gebracht heeft: Vrolijkheid en verdriet, liefde en dood, afscheid en nieuwe ontmoetingen, inzichten en dwaasheden, confrontaties en omhelzingen, de clichés en verrassingen van het leven.
Aan 2007 heb ik alvast een gloednieuw afgewerkt boek overgehouden, zopas voor de ontelbaarste keer gecorrigeerd, maar nu is het werkelijk, werkelijk af. Het was een ongelooflijk spannend avontuur om het geschreven te krijgen, ik heb diep gedoken, diep in mezelf en diep in de tijd en het is ook een ongelooflijk spannend verhaal geworden, allez, voor mij toch en aangezien ik mijn boeken voornamelijk voor mezelf schrijf is dat toch al mooi meegenomen. Het heeft nu zelfs al een titel en die wil ik je niet onthouden: De onrustvlinder. Het vurige boek kreeg een vurige kaft die je niet snel zal vergeten en je vindt het binnen een paar maanden in de boekenwinkel. Ik hou je op de hoogte.
Nee, ik besluit dit laatste blogje van het jaar niet met goede voornemens. Geen, geen enkele. Zelfs niet die van weer een nieuw boek. Of toch wel? Eentje? Eentje, een kleintje, eentje dat geen zeer doet: ik wens mezelf en al degenen die dit lezen een jaar van minder moeten toe, maar van mogen, kunnen, willen. Een jaar met van die onrustvlinderige fladdervleugels niet om van ergens naar ergens anders te zoeven maar op en neer, heen en weer, doelloos genieten.
Tot besluit: drie pletsende piepers, in de beste tante Roza-traditie: x x x
December 17 onbaatzuchtige liefde
Het zien van uw kerstversiering doet pijn aan mijn ogen, schreeuwde de in oorlogskleuren geverfde Winnetou uit, terwijl hij met zijn tomahawk edelmoedig een rood-wit inbrekertje bevrijdde dat zich net niet aan het wurgen was, verstrengeld in de koordjes waarmee hij zijn steile beklimming voltooide naar het dak van de zoveelste Vlaamse Fermette Spaanse Stijl. Winnetou, zelf hersenschim van een literaire oplichter met grenzeloze fantasie die met zijn lompe lijf nooit de fysieke grenzen van zijn geboorteland was over geraakt, bibberend in zijn lendendoek, verlangend naar Old Shatterhand om een flink potje mee te kaarten.
Zulke dadaïstische dromen koesterend dwaalde ik rond op de kerstmarkt van het provinciestadje M tussen de hoofddeksels in de vorm van kerstmutsen met ingebouwde verlichting al dan niet knipperend ook verkrijgbaar op roze cowboyhoed maar ook in de vorm van wiebelende geweien ,de dansende kerstbomen inclusief swingende kerstmannen, de neonlampionnetjes in 600 wisselende krijsende kleurtjes, jingle hell, jingle hell… schuifelend tussen de gluhweindampende massa, dichter opeen gepakt dan de bedevaarders in Mekka, alleen zijn hier niet de gezichten maar wel de gedachten gesluierd…
Mijn eigen bedevaart was al achter de rug: die naar een kleine tentoonstelling van etsen van mijn geliefde Rik Wouters, die er in slaagt zelfs in het sobere grijs en zwart van zijn etsen het alledaagse van het leven in vuur en vlam te zetten.
Later kwam er nog meer groots kleins toen dikke kerkmuren het kerstfeestgedruis buitensloten om de naar binnen gekeerde klanken van een viola da gamba en luit te omhullen, bespeeld met een Italiaanse extraverte vrolijkheid en intensiteit die de toehoorders in extase bracht. Een en al expressie waren ze, die twee glimlachende muzikanten, zelfverzekerde ambachtslui genietend van hun virtuositeit om die met onverholen gretigheid te delen met het publiek, golfjes applaus gulzig opte slorpen en er maar niet genoeg van te krijgen, zoals ze later zich in de cafetaria ook gulzig te goed deden aan een “normal Belgian beer” en verbroederden met de plaatselijke handtekeningenjagende bewonderaars.
Onbaatzuchtige liefde, iemand gooide het begrip onlangs op tafel. Daar bleef het sidderend liggen, smekend om aandacht. Ik heb het liefst baat bij liefde, bedenk ik voor de zoveelste keer. En als ik er geen baat bij heb, is het dan wel liefde? ’t Mag de liefde van Rik Wouters voor zijn etsen zijn waarvan ik mag meegenieten, of die van die twee muzikanten op het podium, ze schenen intens van elkaar te houden, zoals ze niet tegen elkaar maar met elkaar musiceerden, elkaar de ruimte lieten, de stilte lieten zelfs, hun partituren – een wonderlijke wirwar van streepjes en bolletjes – perfect op elkaar afgestemd. Niet onbaatzuchtig, bijlange niet, we hadden er allemaal baat bij, zij en wij, veel onbaatzuchtige baat.
Onbaatzuchtige liefde. Een ambitieuze partituur die ongespeeld moet blijven omdat zelfs de componist de noten niet kan interpreteren. Het perfecte scenario voor een liefde die niet geleefd kan worden, een liefde om eeuwig en een dag op te wachten.
November 29 zoveel niets - voor philip hoorne
Alles, maar dan ook letterlijk alles is verklaarbaar. Dat heeft mijn kwaliteitskrant me de voorbije maanden met veel levendige letters diets proberen te maken. Zo’n bijna-dood ervaring, je kent dat wel, je stapt uit je lichaam en voelt je vredig en blij als tijdens een wandeling aan zee in de herfst als de pannenkoek en warme chocolademelk lonkt, alleen is het geen pannenkoek maar St-Pieterke in eigen persoon in een zee van wit licht, welnu: zo’n bijna-dood ervaring is simpelweg terug te brengen tot een chemisch proces in de hersenen dat mits de juiste technieken kan opgewekt worden. Net zoals alle andere sensaties, beste dames en heren, opent dat geen prachtige perspectieven? Gedaan met moeizame inspanningen om welke sensatie dan ook te bereiken. Een proper voorbeeld, verliefdheid: niet moeilijk doen, kan zo opgewekt worden, goede tip om stramme huwelijken weer flexibel te maken, liefdesdrankjes overbodig vanaf heden. Of toch liever niet? Niet “echt” genoeg? Ach, wat is echt, niets toch, of alles? Ons moeder zei het al, ’t zit allemaal tussen de oren. God ook. Ergens in je hersenpan schuilt bijvoorbeeld het plekje dat “religieus gevoel” zou heten. Echt waar, ik zou het zelf niet durven verzinnen. Zo ben ik niet. Wat zou er gebeuren als dat religieus centimetertje brein nu eens massaal en intensief gestimuleerd werd? Met z’n allen in lotushouding Boeddha achterna, eindelijk wereldvrede? Of het omgekeerde: kruistochten en fatwa’s? Dat doet me denken aan dat arme zielige beerke Mohammed. Ik zie hem daar al, met trieste kinderloze blik en slaphangende oortjes en rauwe haarloze billetjes van die 40 stokslagen die hij toch echt niet verdiend had, geef nu zelf toe. Mijn beertjes heetten indertijd altijd Teddy, een veilige naam, nooit herrie mee gekregen. Rooseveld is bij mijn weten nooit aan mijn bed komen spoken. En zelfs àls hij het gedaan had: hij zou toch enkel tussen mijn twee oren gezeten hebben. Spoken, je vervelende buurman, waterzuiveringsstations, engeltjes… Engeltjes gezien? ’t Zit in de kop! Dat had je zo’n slordige vijfhonderd jaar geleden aan Jan van Eyck niet moeten proberen wijs te maken. Die zag ze vliegen aan de lopende band en werd er wereldberoemd mee op de koop toe.
Geen twijfel mogelijk. We leven in een glasheldere wereld vol kille klare klontjes duidelijkheid.
De wetenschap staat voor niets. Zoveel niets dat ik er poëtisch van word.
Bij mijn bureautje hangt al jarenlang een vergeeld stukje krant. Er staat een gedicht op van Philip Hoorne. Niets, recht van tussen de oren geplukt, vanuit dat geheimzinnige, nog onontdekte stukje hersengeluk dat creativiteit heet en noopt tot heel diep zuchten:
Niets met jou
Sinds ik schrijf dat jij alles bent is het ook zo, het bewijs van wat niet bewezen hoefde te worden
Onbegrijpelijk hoe die tekens mij doen begrijpen, alsof ik licht maak in een vreemd en donker huis en roep: ja, dit is het , hier wil ik wonen slapen sterven, maar liefst - als het kan liefste- niet te veel leven, rustig aan op een wachtende wijze.
Met jou, alles met jou, en heel veel niets met jou.
| |||||||||||||||